Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.InleidingNaar aanleiding van een aangifte ter zake van oplichting is een politieonderzoek ingesteld. Tijdens dit politieonderzoek heeft [benadeelde] op 5 oktober 2012 aangifte van oplichting gedaan tegen verdachte. Op 16 april 2013 heeft de officier van justitie de zaak tegen verdachte geseponeerd wegens onvoldoende wettig bewijs. [benadeelde] heeft op 11 juli 2013 middels de procedure van artikel 12 Wetboek Pro van Strafvordering zich daarover beklaagd bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 10 juli 2014 heeft het Hof alsnog de vervolging van verdachte bevolen. Thans dient de rechtbank te beoordelen of verdachte zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en zo ja, hoe dit strafbaar handelen dient te worden gekwalificeerd.
3.Bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
6 (zes) maanden.
[benadeelde]geleden schade tot een bedrag van
€ 79.400,- (negenenzeventig duizend vierhonderd euro), en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
365 (driehonderd vijfenzestig) dagenhechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.