Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
2.De beoordeling
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank niet aannemelijk dat de vrouw, zoals de man stelt, op korte termijn in staat is 32 uur te werken en inkomsten van meer dan € 20.000,- bruto per jaar te genereren. Vast staat dat de vrouw sinds 1998 hoegenaamd niet gewerkt heeft en dus beschikt over beperkte werkervaring. Partijen hebben in het verleden, zoals onbetwist door de vrouw is gesteld, voor de conventionele rolverdeling gekozen, waarbij de man buitenshuis zou werken en carrière zou maken en de vrouw het kind en het huishouden zou verzorgen. Ook speelt een rol dat de vrouw na haar vertrek uit Dubai met haar dochter in Nederland een nieuw bestaan moest opbouwen. Dit in combinatie met het feit dat de vrouw in Nederland alleen de zorg draagt voor de minderjarige en aan gehoorverlies lijdt, is het niet reëel om thans te verwachten dat de vrouw 10% (van de behoefte, zijnde € 61,- per maand) kan bijdragen in de kosten van de minderjarige. De vrouw heeft echter onvoldoende gesteld om aan te nemen dat haar verdiencapaciteit niet meer bedraagt dan € 847,71 bruto per maand. De rechtbank acht de vrouw, mede gelet op haar opleidingsniveau, in staat een hoger inkomen te genereren, maar - op korte termijn - niet meer dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande (per 1 juli 2015 € 962,63 netto per maand).
De man betwist de hoogte van de behoefte. Hij kan zich niet verenigen met een aantal posten opgenomen op de behoeftelijst van de vrouw. In dit verband stelt de man dat de vrouw onevenredig hoge woonlasten op zich heeft genomen (een maandelijkse kale huur van € 1.500,-) en dat haar uitgaven voor ontspanning van € 483,- per maand te hoog zijn. Daarnaast maakt de man bezwaar tegen reserveringen voor vervanging van apparatuur van € 100,- per maand en acht hij een bedrag van € 125,- per maand aan onderhoud van de auto naast een afschrijving van € 150,- per maand fors. Verder stelt de man dat bij de bepaling van de behoefte rekening gehouden moet worden met eigen vermogen van de vrouw en het daaruit te ontvangen rendement. Naar de mening van de man moet de vrouw tevens in staat worden geacht zich een inkomen te verwerven uit arbeid en vermogen waardoor zij gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
Anders dan de man ziet de rechtbank geen reden om voorbij te gaan aan de door de vrouw gestelde woonlast van € 1.500,- per maand. Hoewel een dergelijke huur aan de hoge kant is voor een eenoudergezin, acht de rechtbank deze in dit geval niet onredelijk, in aanmerking nemende dat partijen in Dubai in een veel luxere woning woonden en de man in zijn draagkrachtberekening zelf ook een behoorlijke woonlast van € 1.389,- per maand opvoert. Ook ziet de rechtbank in hetgeen de man in dat verband heeft aangevoerd en mede in het licht van het welstandsniveau van partijen tijdens hun huwelijkse periode in Dubai, geen aanleiding de overige door de man betwiste kostenposten te matigen of buiten beschouwing te laten. Nu voorts niet is gebleken dat de vrouw over enig eigen vermogen beschikt, bepaalt de rechtbank de behoefte van de vrouw in redelijkheid op € 5.043,- netto per maand.
De vrouw heeft momenteel een tijdelijke dienstbetrekking voor 16 uur per week, waarbij zij een brutosalaris ontvangt van € 847,71 per maand. Het inkomen van de vrouw dient in mindering te worden gebracht op de behoefte. Zoals hierboven overwogen volgt de rechtbank de man ten dele in zijn stelling dat er aan de zijde van de vrouw op dit moment sprake is van een hogere verdiencapaciteit, echter slechts in die zin dat de vrouw op korte termijn slechts in staat kan worden geacht een besteedbaar inkomen te genereren dat gelijk is aan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, zijnde per 1 juli 2015 € 962,63 netto per maand. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de duur van het huwelijk, de rolverdeling daarin, het vertrek uit Dubai waar partijen enkele jaren hebben gewoond en het feit dat de vrouw pas sinds kort een betaalde arbeidsbetrekking heeft.
De man heeft voorts de jaarrekeningen 2010 tot en met 2012 van Hilthom DDCCO overgelegd alsmede ‘income statements’ over de jaren 2010 tot en met 2014. De man stelt dat hij alleen uit de vennootschap Hilthom DDCCO inkomen genereert en dat dit inkomen blijkt uit genoemde ‘income statements’. De man voert aan dat de jaarstukken zijn opgesteld conform internationale standaards. Ze zijn voorzien van goedkeurende controleverklaringen afgegeven door een accountant - ASP Auditing - die door de overheid van Dubai als erkend controleur is aangewezen. De man verwijst in dit verband naar een overgelegde brief van zijn financieel adviseur in Nederland, de heer [[naam 2]] van Amsterdamsche Accountants & Belastingadviseurs B.V. (hierna: AAB) van 20 februari 2015. Volgens de man blijkt uit de ‘income statements’ dat er geen drastische wijzigingen zijn opgetreden in zijn inkomen sinds 2013; zijn inkomen schommelt al jaren rond de 300.000 AED per jaar. Verder is voor zijn draagkracht van belang, aldus de man, dat hij in verband met de rekening courantschulden aan zijn B.V.’s een aanzienlijke schuld heeft bij de fiscus, die hij zal moeten aflossen en dat hij geen enkel pensioen heeft opgebouwd. De man weerspreekt dat sprake is van opgepotte winsten. Hij stelt dat hij niet in staat is om zichzelf een hoger inkomen te verschaffen dan blijkt uit de ‘income statements’. De man verwijst naar een door hem overgelegde draagkrachtberekening van 23 juli 2015 waaruit blijkt dat hij geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen.
De man heeft ter zitting gesteld dat de vrouw deze stukken onrechtmatig heeft verkregen en verzet zich er tegen dat de vrouw deze informatie (mondeling en schriftelijk) met de rechtbank deelt. Het is de man gebleken dat de vrouw zich sinds haar vertrek uit Dubai in juni 2012 toegang heeft verschaft tot zijn email account, dat hij zowel zakelijk als privé gebruikte. De vrouw heeft aldus jarenlang kennisgenomen althans kunnen nemen van alle e-mailcorrespondentie die de man gevoerd heeft, waaronder vertrouwelijke correspondentie tussen de man en zijn advocaat en tussen de man en zijn accountant, maar ook ter zake van privé aangelegenheden. Volgens de man heeft hij de vrouw nooit toegang gegeven tot zijn email account en was het voor de vrouw evident dat de betreffende e-mailcorrespondentie niet voor haar bestemd was. De man meent dat sprake is van een zeer vergaande inbreuk op zijn privacy en schending van het briefgeheim. De vrouw mag in zijn optiek geen enkele informatie (wat dit dan ook betreft), waarvan zij op onrechtmatige wijze kennis heeft genomen, gebruiken in deze procedure.
Een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer levert in beginsel een onrechtmatige daad op. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatig karakter ontnemen. Of zulk een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Ook indien wordt vastgesteld dat bewijsmateriaal door de partij die zich erop beroept onrechtmatig is verkregen, geldt, gelet op het bepaalde in artikel 152 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), niet als algemene regel dat de rechter daarop geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is uitsluiting van dat bewijs gerechtvaardigd (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942, en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1632).
in beginseltevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.
3.Beslissing
7 oktober 2015de aanvullende stukken, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.6.21 aangeduid en die zij heeft verkregen via het e-mailaccount van de man, voor zover relevant, aan de rechtbank en de man te verstrekken.
28 oktober 2015een schriftelijke antwoordreactie zoals vermeld in rechtsoverweging 2.6.23 te geven.
28 oktober 2015 pro forma. Partijen wordt verzocht om de rechtbank uiterlijk op laatstgenoemde datum te informeren over de gewenste wijze van voortzetting van de procedure. De rechtbank zal hierover vervolgens een beslissing nemen.