ECLI:NL:RBNHO:2015:9991
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Ph. Burgers
- M.Th. Goossens
- J.J.M. Uitermark
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak zedendelict
In deze strafzaak tegen een minderjarige verdachte wegens een zedendelict gepleegd in augustus 2013, heeft de rechtbank vastgesteld dat het Openbaar Ministerie de redelijke termijn voor berechting aanzienlijk heeft overschreden. De zaak werd pas in juli 2015 behandeld, ruim elf maanden na het verhoor van de verdachte en bijna twee jaar na het delict.
De verdediging stelde dat deze overschrijding in strijd is met diverse richtlijnen en verdragsbepalingen, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, die snelle berechting van jeugdigen vereisen vanwege het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht. Het Openbaar Ministerie erkende de vertraging, maar stelde dat dit geen reden was voor niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van de minderjarige verdachte en het slachtoffer door de lange termijn grovelijk zijn veronachtzaamd. De pedagogische werking van een strafrechtelijke reactie is hierdoor verloren gegaan en kan zelfs averechts werken. Gelet op het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het IVRK concludeerde de rechtbank dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging heeft verloren en verklaarde het niet-ontvankelijk.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding kon hierdoor niet worden toegewezen. De rechtbank benadrukte dat de zaak eenvoudig was en dat de vertraging grotendeels te wijten was aan capaciteitsproblemen en onvoldoende voortvarendheid van politie en Openbaar Ministerie.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn in een jeugdstrafzaak.