ECLI:NL:RBNHO:2016:10323
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de crisisheffing loonbelasting en grondslag optierechten
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afdracht van de crisisheffing loonbelasting over het jaar 2013, waarbij zij stelde dat de heffing onrechtmatig was omdat deze niet strookte met het wettelijke systeem en in strijd was met het EVRM. De rechtbank oordeelt dat de crisisheffing een wettelijke basis heeft in artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964 en dat dit artikel niet onverbindend is, mede gelet op een arrest van de Hoge Raad.
Verder is geoordeeld dat de crisisheffing geen individuele en buitensporige last vormt en niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de heffing een legitiem algemeen belang dient en een faire balans wordt gewaarborgd. Ook de stelling dat de crisisheffing discriminerend is, wordt verworpen.
Ten aanzien van de grondslag van de crisisheffing is vastgesteld dat voordelen uit optierechten die in 2012 zijn uitgeoefend, behoren tot loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en dus terecht zijn meegenomen in de heffing. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de crisisheffing.