ECLI:NL:RBNHO:2016:1828
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord in schuldsanering
Verzoekster heeft op 20 augustus 2015 een schuldregeling aangeboden die door alle schuldeisers behalve gerekwestreerde is aanvaard. Gerekwestreerde weigerde instemming met het dwangakkoord te geven, onder meer omdat zij meende dat het dwangakkoord niet op haar en haar buitenlandse rechtsopvolgers van toepassing kon zijn en dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan.
De rechtbank beoordeelde of gerekwestreerde in redelijkheid tot weigering van instemming kon komen, waarbij het belang van gerekwestreerde werd afgezet tegen dat van verzoekster en de overige schuldeisers. De rechtbank concludeerde dat gerekwestreerde een betaling van 71,72% van haar vordering zou ontvangen bij aanvaarding van het dwangakkoord, terwijl bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een lager bedrag beschikbaar zou zijn door kosten van bewindvoering.
De rechtbank verwierp het verweer dat een buitenlandse schuldeiser niet aan het dwangakkoord gebonden kon worden, en oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft gezien de Nederlandse woonplaats van verzoekster en de Nederlandse oorsprong van de vordering. Ook werd vastgesteld dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan, mede gelet op de omstandigheden rond de lening en de civiele bewindvoering.
De rechtbank concludeerde dat het belang van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder weegt dan dat van gerekwestreerde en dat de weigering van instemming niet redelijk is. Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord werd daarom toegewezen voor een periode van 36 maanden. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd daarmee niet meer behandeld. Gerekwestreerde werd veroordeeld in de kosten, die nihil werden begroot.
Uitkomst: Verzoek tot vaststelling dwangakkoord toegewezen en gerekwestreerde veroordeeld tot instemming met schuldregeling.