Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- dat eisers functie als productieleider wordt aangemerkt als SB-functie (substantieel bezwarende functie);
- dat bij de berekening van de arrangement C-uitkering (loopbaanpremie) wordt uitgegaan van een 10-jarig dienstverband in een SB-functie;
- dat bij de berekening van de arrangement C-uitkering wordt uitgegaan van de beloning in top schaal 8;
- dat toelagen op het salaris bij de berekening van de arrangement C-uitkering worden meegenomen, voor zover de ministeriële Regeling daarin voorziet;
- dat het ontslag van verzoeker ingaat per 1 oktober 2012;
- dat verweerder eisers proces- en advocaatkosten niet vergoedt;
- dat verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening intrekt.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 mei 2013 gegrond;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 januari 2014, aangevuld met het besluit van 19 september 2014, ongegrond:
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding bestaande uit de wettelijke rente over € 14.996,76 vanaf 1 oktober 2012;
- wijst het verzoek om immateriële schade af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.240,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 330,- aan eiser vergoedt.