ECLI:NL:RBNHO:2016:4465

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2016
Publicatiedatum
31 mei 2016
Zaaknummer
4452327 WM VERZ 15-1381
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • B. Liefting-Voogd
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 14 WAHVArt. 4 lid 2 WAHVArt. 62 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing officier van justitie en toekenning proceskostenvergoeding in verkeerszaak

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het gebruik van een weg in strijd met een eenrichtingsweg/geslotenverklaring. Tegen de beslissing van de officier van justitie werd beroep ingesteld. De kantonrechter constateert dat de officier van justitie betrokkene niet de mogelijkheid heeft gegeven om het beroep aan te vullen met nadere gronden, ondanks een verzoek daartoe.

Hierdoor wordt de beslissing van de officier van justitie vernietigd. De kantonrechter beoordeelt vervolgens de initiële beschikking en oordeelt dat het verweer omtrent de zichtbaarheid van het verkeersbord onvoldoende is onderbouwd. Ook is het standpunt van de verbalisant over het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding aannemelijk.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding stelt de kantonrechter vast dat de gemachtigde, hoewel familie, niet tot het huishouden van betrokkene behoort en de rechtsbijstand beroepsmatig is verleend. Op basis hiervan en jurisprudentie wordt proceskostenvergoeding toegekend met een wegingsfactor van 0,5, wat neerkomt op €490. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door kantonrechter B. Liefting-Voogd.

Uitkomst: De beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd en proceskostenvergoeding van €490 wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton – locatie Alkmaar
Zaaknr.: 4452327 \ WM VERZ 15-1381 DG
CJIB-nummer: [nummer]
Uitspraakdatum: 5 februari 2016
Beslissing op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van:
naam [naam]
adres [adres]
woonplaats [woonplaats]
gemachtigde [X]
hierna te noemen betrokkene.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld ter zitting van 8 januari 2016. Ter zitting is verschenen: de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. De gemachtigde is namens betrokkene verschenen en heeft zijn zienswijze toegelicht.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd luidt – kort omschreven – als volgt: een weg gebruiken in strijd met eenrichtingsweg/geslotenverklaring op andere weg dan auto(snel)weg.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift – dat zich bij de stukken bevindt – de gronden daarvoor aangevoerd. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie heeft het standpunt van de officier van justitie verwoord.
Eerstens voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie betrokkene niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep te voorzien van aanvullende gronden, terwijl betrokkene hiertoe wel een verzoek heeft gedaan. Uit het dossier is gebleken dat de gemachtigde op 9 juli 2014 beroep heeft ingestelde tegen de initiële beschikking, waarbij aan het Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) is verzocht om het zaakoverzicht in het kader van een Wob-verzoek toe te doen komen. Daarnaast heeft de gemachtigde aangegeven dat nadere gronden zullen worden ingediend na ontvangst van de bij de opsporingsinstantie opgevraagd informatie. De gemachtigde verzoekt hiervoor een nadere termijn te verlenen.
De kantonrechter stelt vast dat de officier van justitie de gemachtigde niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld het administratief beroep te voorzien van aanvullende gronden, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om het beroep aan te vullen en de officier van justitie reeds voor het toezenden van het zaakoverzicht een beslissing op het beroep heeft genomen. (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 februari 2015, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:GHARL:2015:1132) Vorenstaande brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet is stand kan worden gelaten. De kantonrechter verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom gegrond en zal deze beslissing vernietigen.
Gelet op de gegrondverklaring bepaalt de kantonrechter dat de overige beroepsgronden die zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer behoeven.
Vervolgens dient de kantonrechter te beoordelen of de initiële beschikking in stand kan blijven.
De gemachtigde voert aan dat het zicht op het verkeersbord C2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ernstig werd belemmerd door een boom. Ter ondersteuning van het verweer overlegt de gemachtigde een foto van de pleeglocatie afkomstig van Google Maps Street View. De kantonrechter overweegt dat de afbeelding van Google vanuit één hoek is genomen en daarom geen realistisch beeld geeft van de gehele verkeerssituatie. De afbeelding biedt onvoldoende ondersteuning voor het verweer van de gemachtigde en slaagt daarom niet.
Ten aanzien van de bebording merkt de gemachtigde verder op dat het gebruikelijk is dat bebording aan de rechterzijde, gezien vanuit de rijrichting, wordt geplaatst. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 mei 1997, zaaknummer 711-96-V overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 62 RVV Pro 1990 stelt vast de gedragsregel dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, zonder dat onderscheid wordt gemaakt of de verkeerstekens al dan niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst. Het staat dan ook niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersbord overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. (Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 17 maart 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4915)
Verder voert de gemachtigde aan dat de verklaring van de verbalisant te summierlijk is om daadwerkelijk te beoordelen of er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 4 lid 2 Wet Pro administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) zo mogelijk aanstonds een aankondiging van beschikking moet worden uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of deze wordt achtergelaten in of aan het motorrijtuig. In het door de officier van justitie toegezonden zaakoverzicht is de volgende toelichting van de verbalisant vermeld: “Geen staandehouding in verband met voetsurveillance.” De kantonrechter oordeelt dat op grond van deze verklaring en, nu in ieder geval uit de omschrijving van het soort gedraging kan worden afgeleid, dat het voertuig van betrokkene al rijdend was, ervan uit mag worden gegaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De verbalisant kon derhalve volstaan met het bekeuren op kenteken.
Nu de beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd, is er aanleiding om te bepalen of de gemachtigde in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten.
Ter zitting heeft gemachtigde, de heer [X] , verklaard dat betrokkene, de heer [naam] , zijn vader is. Vervolgens heeft de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat, ondanks dat beiden niet op hetzelfde adres woonachtig zijn, het aan de gemachtigde is om aan te tonen dat er sprake is van bedrijfsmatig, op zakelijke basis aan een derde verleende rechtsbijstand. Een vader-zoon-relatie is volgens de zittingsvertegenwoordiger een dusdanige relatie waarbij niet zonder meer vaststaat dat er sprake is van een zakelijke basis.
De kantonrechter overweegt dat de bedoelde familierelatie op zich niet aan het beroepsmatige karakter van door een derde verleende rechtsbijstand in de weg staat, met dien verstande dat als de rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van betrokkene in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend (Hoge Raad, 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531). Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat de gemachtigde niet tot het huishouden van betrokkene behoort. De kantonrechter heeft geen aanwijzingen dat de rechtsbijstand in onderhavige zaak niet op zakelijke basis is verleend, zodat ervan moet worden uitgegaan dat betrokkene wordt vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 7 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2474), is het niet vereist dat een declaratie door de gemachtigde is opgemaakt of dat de kosten ten tijde van deze uitspraak zijn voldaan. De kantonrechter zal daarom het verzoek tot vergoeding van de proceskosten, die zijn gemaakt door betrokkene en voor vergoeding in aanmerking komen, toewijzen.
Nu beslissing van de officier van justitie zal worden vernietigd, wijst de kantonrechter de gemaakte proceskosten in de beroepsfase bij de kantonrechter toe. De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht in de procedure bij de kantonrechter: het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Aan het indienen van de beroepschriften en het verschijnen ter terechtzitting dient telkens 1 punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 490,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal de kantonrechter de officier van justitie veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 490,00 (2 x € 490,00 x 0,5).

De beslissing

De kantonrechter:
- verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en
vernietigt die beslissing;
- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
 veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 490,00.
Deze beslissing is gegeven door mr. B. Liefting-Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.
De griffier
De kantonrechter
Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 14 WAHV Pro hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de Sectie Kanton van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: