Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk uitgeven van een vervalst bankbiljet van 50 euro in de periode van januari tot april 2014 in Haarlem. Het Openbaar Ministerie vorderde een taakstraf en geldboete, terwijl verdachte bekend had en geen vrijspraak werd gevraagd.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het biljet uitgaf met kennis van de valsheid en het oogmerk om het als echt te gebruiken. Er was geen sprake van strafuitsluitingsgronden. De rechtbank nam diverse proces-verbalen, verklaringen en de bekennende verklaring van verdachte mee in het bewijs.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, het feit dat het vertrouwen in chartaal geld werd ondermijnd, maar ook met de jonge leeftijd, het ontbreken van eerdere strafbare feiten en de oprechte spijt van verdachte. Daarom werd besloten geen straf of maatregel op te leggen.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan causaal verband met het bewezen feit.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland op 10 november 2016.