Bij bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning ziet op de volgende activiteiten als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):
a. het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a:
b. het uitvoeren van werkzaamheden in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo (aanlegvergunning); en
c. het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
De handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend zijn tevens aan te merken als:
d. het uitvoeren van handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 van de Ffw gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan de minister (staatssecretaris) op grond van artikel 75, derde lid, Ffw bevoegd is ontheffing te verlenen;
e. het uitvoeren van handelingen die tevens zijn aan te merken als projecten of andere handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, Nbw 1998 geldt; en
f. het verrichten van werkzaamheden in een grondwaterbeschermingsgebied.