ECLI:NL:RBNHO:2017:11209
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding bij vennootschapsbelastingnavorderingen
Eiseres, een vennootschap, maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2007 tot en met 2009, waarbij zij tevens proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vorderde.
Verweerder had een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend met een gemiddeld gewicht van de zaken en een immateriële schadevergoeding van €4.000 voor alle zaken gezamenlijk. Eiseres stelde dat zij recht had op een integrale proceskostenvergoeding of ten minste een hogere forfaitaire vergoeding met zwaarder gewicht, en een hogere immateriële schadevergoeding wegens samenhang van de zaken.
De rechtbank overwoog dat verweerder geen verwijt treft voor het doen van uitspraken op bezwaar, omdat op dat moment nog cassatieberoep liep en de uitspraken niet onherroepelijk waren. Eiseres had bovendien afgezien van haar hoorrecht. Daarom is de forfaitaire vergoeding passend. Het gewicht van de zaken is terecht gemiddeld vastgesteld, omdat de bezwaarfase inhoudelijk beperkt was en de uitkomsten van procedures van de dga werden gevolgd.
De immateriële schadevergoeding is terecht voor alle zaken gezamenlijk toegekend, omdat de zaken betrekking hadden op hetzelfde feitencomplex en gezamenlijk zijn behandeld. Toepassing van een factor voor samenhang bij immateriële schadevergoeding is niet gerechtvaardigd. De overschrijding van de redelijke termijn van circa 6 jaar rechtvaardigt de toegekende vergoeding van €4.000. De beroepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de forfaitaire proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding zoals toegekend.