ECLI:NL:RBNHO:2017:11328

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 december 2017
Publicatiedatum
8 januari 2018
Zaaknummer
17-007114
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • C.A. van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591 SvArt. 552a SvArt. 552b SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vergoeding kosten training en opvang hond afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoekster diende een verzoekschrift in tot vergoeding van kosten voor de training en opvang van haar hond, ten laste van de Staat, op grond van artikel 591 juncto Pro 552a Sv. De rechtbank behandelde dit verzoek in raadkamer en stelde vast dat de strafzaak tegen verzoekster nog niet was geëindigd, waardoor zij nog geen gewezen verdachte was.

De rechtbank verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bepaald dat de vergoedingsregeling van artikel 591 Sv Pro niet van toepassing is op procedures ex artikel 552a Sv zolang de strafzaak tegen de betrokkene niet is afgerond. Omdat verzoekster nog verdachte is en de officier van justitie aangaf dat vervolging zal plaatsvinden, kon het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek losstaat van de hoofdzaak, maar dat de procedure ex artikel 552a Sv gekoppeld is aan de strafzaak waarin de strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt vastgesteld. Daarom kan vergoeding pas worden toegekend nadat de strafzaak is geëindigd. Het verzoek werd daarom afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vergoeding van kosten voor training en opvang van de hond omdat de strafzaak nog niet is beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Haarlem
Enkelvoudige raadkamer
Registratienummer: 17-007114
Uitspraakdatum: 4 december 2017
Beschikking(art. 591 juncto Pro 552a Sv.)

1.Ontstaan en loop van de procedure

Op 2 oktober 2017 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een verzoekschrift, gedateerd 26 september 2017, van:
[verzoekster], verzoekster,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
domicilie kiezende te (2594 AG) Den Haag, Bezuidenhoutseweg 161, ten kantore van
mr. J.L. Baar, advocaat.
Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van onder meer € 2.510,00 ter zake van kosten voor de training en opvang van de hond.
Op 20 november 2017 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.
Voor verzoekster is verschenen mr. D.J.G.J. Cornelissen, kantoorgenoot van mr. J.L. Baar, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. N. Levinsohn.

2.De standpunten

Van de zijde van verzoekster is er op gewezen dat een artikel 552a Sv-procedure als een aparte procedure moet worden gezien. Binnen drie maanden na afloop van die zaak moet een schadevergoedingsverzoek worden ingediend. Wachten tot de behandeling van de hoofdzaak zou alleen om die reden al niet-ontvankelijkheid met zich brengen. Daarnaast maakt het feit dat de artikel 552a Sv. procedure als een aparte zaak wordt gezien, dat het schadevergoedingsverzoek ten aanzien van die procedure losstaat van de hoofdzaak.
De afloop van de hoofdzaak is niet van invloed op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de na een artikel 552a Sv.-procedure verzochte schadevergoeding.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoekschrift, nu de zaak tegen verzoekster nog niet is geëindigd. Verzoekster is nog verdachte en geen gewezen verdachte.

3.Beoordeling

Op de voet van het bepaalde in artikel 591 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv.) wordt (ongeacht de afloop van de zaak) aan de gewezen verdachte uit ’s Rijkskas een vergoeding toegekend voor de kosten,
welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen (de vergoedingen voor werkzaamheden, tijdverzuim, reis- en verblijfkosten van getuigen / deskundigen en de kosten i.v.m. met afschriften, uittreksels, inzage en inlichtingen),
voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek hebben gediendof door intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos zijn geworden.
Blijkens het vijfde lid van artikel 591 Sv Pro. is de vergoedingsregeling als bedoeld in het eerste niet slechts van toepassing op de gewezen verdachte, maar eveneens geschreven ten behoeve van anderen (
dan de (gewezen) verdachte), zoals belanghebbenden bij de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Sv.
In zijn arrest van 22 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2757) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“De drie in dit arrest besliste gevallen kenmerken zich hierdoor dat weliswaar de desbetreffende strafzaak niet is geëindigd met een niet-veroordelende einduitspraak in de zin van art. 348 en Pro 350 Sv, maar desalniettemin aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. In dat type gevallen achtte de Hoge Raad het redelijk de toepasselijkheid van art. 591a, tweede lid, Sv niet uit te sluiten.
In het onderhavige geval gaat het om een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de klaagschriftprocedure (rechtbank: ex artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994) over het inhouden van een rijbewijs. Dat klaagschrift is gegrond verklaard, maar tegen de betrokkene is een - onherroepelijk geworden - strafbeschikking uitgevaardigd ter zake van het feit in welk verband het rijbewijs is ingehouden. Het gaat hier derhalve niet om een type geval als hiervoor onder 3.3.2 bedoeld.
Opmerking verdient nog dat art. 591a, vierde lid, in verbinding met art. 591, vijfde lid Sv, voorziet in een afwijkende regeling met het oog op enkele bijzondere procedures. Die procedures, zoals die van art. 552a tot en met 552b Sv, kenmerken zich niet daardoor dat zij steeds zijn gekoppeld aan de strafzaak tegen de betrokkene waarin zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt vastgesteld.”
Daarmee benadrukt de Hoge Raad uitdrukkelijk, (dan) dat de afwijkende vergoedings-regeling:
nietvan toepassing is op een door de (gewezen) verdachte geëntameerde beklagprocedure ex art. 552a Sv, immers kenmerkt die procedure zich daardoor dat deze is gekoppeld aan de strafzaak tegen betrokkene waarin diens strafrechtelijke aansprakelijkheid is of nog moet worden vastgesteld;
enkelvan toepassing is indien het klaagschrift is ingediend door een ander dan de (gewezen) verdachte, in welk geval onder het eindigen van de zaak dient te worden verstaan de (onherroepelijke) beschikking op het ingediende klaagschrift (HR 3 februari 2009,
LJN: BG2191).
Nu de officier van justitie zowel bij de behandeling van het klaagschrift ex artikel 552 Sv Pro in raadkamer van 18 september 2017 als bij de behandeling van het onderhavige verzoekschrift in raadkamer van 20 november 2017 heeft meegedeeld, dat verzoekster na ontvangst van het einddossier zal worden vervolgd, kan niet worden gezegd, dat de onderliggende strafzaak tegen verzoekster is geëindigd. Verzoekster kan - gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2757) - dan ook niet in haar verzoek worden ontvangen.
Op grond van het vorenstaande dient met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

4.Beslissing

De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum
Deze beschikking is gegeven door mr. C.A. van Dijk, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. drs. F.A. Rive, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2017.
Informatie bij deze beschikking
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.