Eiser ontving vanaf juni 2013 bijstand en meldde in juni 2014 het overlijden van zijn vader en de te ontvangen erfenis. Verweerder trok daarop de uitkering per 13 juni 2014 in en beëindigde deze in oktober 2015, en vorderde terugbetaling van geleverde leenbijstand.
De rechtbank oordeelt dat eiser pas feitelijk over de erfenis beschikte vanaf oktober 2015, zodat intrekking per juni 2014 onterecht was. De intrekking wordt vernietigd. De terugvordering van € 15.004,68 en beëindiging van de uitkering blijven echter in stand omdat het vermogen de vermogensgrens overschreed.
Eiser stelde dat een schuld van € 30.000 aan zijn schoonouders in aanmerking genomen moest worden. De rechtbank stelt vast dat geen concrete terugbetalingsverplichting is aangetoond, mede door het ontbreken van schriftelijke afspraken en geringe aflossingen. Hierdoor wordt de schuld niet in mindering gebracht op het vermogen.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep wordt gegrond verklaard voor het intrekkingsbesluit, maar afgewezen voor terugvordering en beëindiging.