ECLI:NL:CRVB:2016:3258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet opgegeven vermogen en contanten
Appellante ontving sinds 1999 bijstand op grond van de WWB. Na een huiszoeking in haar woning op 6 maart 2012 werden contanten aangetroffen die niet waren gemeld aan het college. Het college besloot daarop tot intrekking van de bijstand en terugvordering van de kosten over diverse perioden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat rekening gehouden moest worden met haar schulden en dat een deel van de contanten niet aan haar toebehoorde. De Raad oordeelde dat de vermogensgrens correct was toegepast en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de contanten deels aan anderen toebehoorden of dat de besparingen tijdens de bijstandsperiode waren opgebouwd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.