ECLI:NL:RBNHO:2017:442
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermogensrendementsheffing spaarsaldi 2014 in relatie tot artikel 1 EP EVRM
In deze zaak staat de vraag centraal of de forfaitaire vermogensrendementsheffing over spaarsaldi in 2014 in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM). Eiseres betoogt dat het forfaitaire rendement van 4% niet meer haalbaar is en dat dit leidt tot een buitensporig zware last, terwijl verweerder stelt dat het forfaitaire rendement nog steeds redelijk is en de belastingheffing niet onrechtmatig is.
De rechtbank analyseert de wetsgeschiedenis, eerdere arresten van de Hoge Raad en de feiten omtrent het rendement op spaargelden en andere vermogensbestanddelen. De rechtbank concludeert dat het forfaitaire rendement van 4% bedoeld is als een benadering van het gemiddelde rendement over een langere periode, waarbij rekening wordt gehouden met een nominalistisch stelsel zonder inflatiecorrectie. Hoewel het rendement op spaargelden in 2014 lager was dan 4%, wordt dit gecompenseerd door hogere rendementen op andere vermogensbestanddelen.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het forfaitaire rendement in 2014 niet meer haalbaar was en dat de vermogensrendementsheffing leidt tot een schending van artikel 1 EP Pro EVRM. Ook wijst de rechtbank het argument af dat belastingplichtigen gedwongen worden risicovoller te beleggen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wijst tevens op de gewijzigde regeling per 1 januari 2017, waarmee de wetgever de maatschappelijke discussie heeft onderkend.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2014 wordt ongegrond verklaard en de vermogensrendementsheffing is niet in strijd met artikel 1 EP EVRM.