ECLI:NL:RBNHO:2017:4948
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verdere matiging van belastingvergrijpboete ondanks meewerken na verzwegen buitenlandse rekening
Eiseres werd door de Belastingdienst navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd over de jaren 2004 tot en met 2010 vanwege het verzwegen bezit van een buitenlandse bankrekening in Luxemburg. Na een initiële ontkenning gaf eiseres pas in de bezwaarfase volledige openheid van zaken. De boetes werden daarom verminderd tot 75% van de verschuldigde belasting en vervolgens met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn, resulterend in 60%.
Eiseres vorderde een verdere vermindering van de boetes tot 50% en een hogere immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde gedragslijn van de Belastingdienst niet in strijd is met het EVRM of het gelijkheidsbeginsel, en dat de situatie van eiseres als ontkenner anders is dan die van meewerkers die eerder openheid geven.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep aanzienlijk was overschreden, maar dat een deel van de vertraging aan eiseres zelf toe te rekenen was vanwege het laat verstrekken van gegevens. De immateriële schadevergoeding werd daarom vastgesteld op € 1.596 voor de bezwaarfase en € 1.904 voor de beroepsfase. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot proceskostenvergoeding van € 1.485 en het betaalde griffierecht terug te betalen.
De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraken op bezwaar behalve de reeds toegekende immateriële schadevergoeding en kostenvergoeding in bezwaar, en bevestigt de rechtsgevolgen van de opgelegde boetes. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Boetes worden gehandhaafd op 60% van de verschuldigde belasting en eiseres ontvangt een aanvullende immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.