Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
en
[gedaagde 2]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde 2]
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een vordering van moeder tegen haar dochters tot betaling van een bedrag van €13.270,00, vermeerderd met rente, voortvloeiend uit een kredietovereenkomst die zij samen met haar overleden echtgenoot was aangegaan. Moeder stelt dat zij meer dan de helft van de schuld heeft voldaan en daarom regresrecht heeft op de nalatenschap van haar echtgenoot, die door de dochters zuiver is aanvaard.
De dochters betwisten de vordering onder meer wegens onvoldoende duidelijkheid over de berekening, verjaring en het feit dat moeder zelf geld heeft opgenomen van het krediet na het overlijden van haar echtgenoot. Tijdens de zitting blijkt dat moeder geen duidelijke rekensom of bewijsstukken heeft overgelegd om haar vordering te onderbouwen.
De kantonrechter oordeelt dat moeder onvoldoende concreet heeft gesteld hoe zij tot het gevorderde bedrag is gekomen en dat haar beroep op regresrecht onvoldoende gemotiveerd is. Ook is niet aannemelijk dat het krediet aan de echtgenoot ten goede is gekomen en dat moeder meer dan de helft van de schuld heeft betaald. De verjaring is niet tijdig gestuit. Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt moeder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van moeder tegen de dochters wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en verjaring.