Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[eiser1],
[eiser2],
1.[gedaagde1],
[gedaagde2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
904,00(2,0 punten × tarief € 452,00)
452,00(2,0 punten × factor 0,5 x tarief € 452,00)
Rechtbank Noord-Holland
Eisers zijn sinds 1997 eigenaar van een perceel, terwijl gedaagden sinds 2015 eigenaar zijn van twee aangrenzende percelen. In 1928 is een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van het perceel van eisers en ten laste van een perceel van gedaagden, omschreven als een uitgang naar de openbare weg via een poort.
Eisers vorderen een verklaring voor recht dat een recht van overpad bestaat, dat gedaagden medewerking moet verlenen aan inschrijving daarvan en dat gedaagden de doorgang vrij moet houden. Gedaagden betwist dit en voert onder meer aan dat het recht is komen te vervallen door non usus en dat de garage op het perceel het gebruik onmogelijk maakt.
De rechtbank oordeelt dat de erfdienstbaarheid inderdaad een recht van overpad inhoudt en dat deze niet is komen te vervallen. De stellingen van gedaagden over non-gebruik zijn onvoldoende onderbouwd, mede gelet op verklaringen van omwonenden. De vorderingen van eisers worden grotendeels toegewezen, met uitzondering van de medewerking aan inschrijving die reeds heeft plaatsgevonden.
In reconventie worden de vorderingen van gedaagden afgewezen, waaronder de opheffing van de erfdienstbaarheid en het verbod aan eisers om schade toe te brengen aan de garage. Gedaagden wordt veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van incassokosten en wettelijke rente.
Uitkomst: Erfdienstbaarheid van overpad wordt bevestigd en gedaagden veroordeeld tot vrijmaking van doorgang en betaling van incassokosten.