ECLI:NL:RBNHO:2017:97
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de crisisheffing en grondslag bonussen in loonbelasting
Eiseres, een B.V., maakte bezwaar tegen de afdracht van de crisisheffing over maart 2013, een heffing op pseudo-eindloon volgens artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964. De rechtbank beoordeelde of deze heffing in strijd was met het wettelijke systeem, het Eerste Protocol bij het EVRM, het gelijkheidsbeginsel en of de grondslag voor de heffing correct was vastgesteld.
De rechtbank volgde de Hoge Raad in het oordeel dat artikel 32bd een voldoende wettelijke basis biedt voor de crisisheffing, ook al wijkt deze af van het normale systeem van loonbelasting. De heffing vormt geen individuele en buitensporige last en is niet in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Ook werd geoordeeld dat de crisisheffing niet discrimineert in de zin van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro.
Ten aanzien van de grondslag voor de heffing stelde de rechtbank dat bonussen en bijzondere beloningen die betrekking hebben op arbeid in een specifiek tijdvak en direct daarmee samenhangen, tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking behoren en dus meetellen voor de crisisheffing. De stelling van eiseres dat deze bonussen betrekking hadden op eerder verrichte arbeid werd verworpen.
De rechtbank wees het beroep van eiseres af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland op 11 januari 2017.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de crisisheffing en de grondslag voor de heffing.