Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
);
Rechtbank Noord-Holland
De werkneemster werd op 4 oktober 2017 op staande voet ontslagen wegens vermeende diefstal en fraude, waaronder het instrueren van klanten tot contante betalingen en manipulatie van het administratiesysteem. De werkneemster betwistte deze beschuldigingen en stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag wel onverwijld was gegeven, maar dat de dringende reden niet was komen vast te staan omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat de werkneemster zich schuldig had gemaakt aan diefstal of fraude.
De arbeidsovereenkomst bleef daardoor voortduren. De werkneemster vorderde daarnaast een aanvulling van haar Ziektewetuitkering tot 100% van het loon, betaling van vaste bonussen en wettelijke rente. De kantonrechter ging ervan uit dat de door de werkneemster overgelegde arbeidsovereenkomst de juiste was, mede omdat de werkgever de originele overeenkomst niet kon overleggen. De aanvullende loonvorderingen werden daarom toegewezen.
De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst valselijk was opgemaakt en verzocht subsidiair om ontbinding wegens verwijtbaar handelen of een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter vond geen bewijs voor verwijtbaar handelen, maar stelde vast dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord was dat ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding gerechtvaardigd was. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 juni 2018 zonder vergoeding.
Beide partijen dragen hun eigen proceskosten voor het tegenverzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens verstoorde arbeidsverhouding met ingang van 1 juni 2018.