ECLI:NL:RBNHO:2018:3157
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag en fictieve afkoop lijfrente-aanspraak 2012
Eiser was vennoot in twee vennootschappen en bracht zijn aandelen in bij oprichting van een B.V. waarbij een lijfrente-aanspraak werd bedongen ter grootte van ƒ 60.000. De lijfrente-uitkeringen waren niet vastgesteld en niet tot uitkering gekomen op 31 december 2012. De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag op met revisierente, omdat de lijfrente-aanspraak volgens haar op die datum fictief was afgekocht.
Eiser stelde dat de lijfrente vóór die datum was prijsgegeven omdat deze niet voor verwezenlijking vatbaar was, en voerde bijzondere omstandigheden aan waardoor de lijfrente niet fictief afgekocht zou moeten worden. De rechtbank oordeelde dat de lijfrente niet was prijsgegeven en dat eiser als bestuurder en schuldenaar aan de B.V. binnen zijn invloedsfeer had om de lijfrente te laten ingaan, waardoor geen sprake was van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank stelde vast dat de waarde in het economisch verkeer van de lijfrente-aanspraak op 31 december 2012 € 71.402 bedroeg, berekend door verweerder volgens de overeenkomst. De revisierente was volgens de rechtbank correct toegepast en de bezwaren van eiser tegen de hoogte van de revisierente konden niet door de rechter worden beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de navorderingsaanslag inclusief revisierente. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag inclusief revisierente.