Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, voormalig vennoot en bestuurder van een holding, kreeg een navorderingsaanslag opgelegd voor het jaar 2012 wegens fictieve afkoop van een lijfrenteaanspraak. De aanspraak was voortgekomen uit stakingswinst en had een contractuele ingangsdatum van 4 augustus 2011, de datum waarop belanghebbende 65 jaar werd.
De rechtbank oordeelde dat de lijfrenteaanspraak niet was prijsgegeven, maar geacht werd te zijn afgekocht op 31 december 2012, omdat de termijnen niet waren vastgesteld en niet waren uitgekeerd. Belanghebbende voerde aan dat bijzondere omstandigheden hem verhinderden om tijdig tot uitkering over te gaan, maar dit werd verworpen omdat hij als bestuurder invloed had op de situatie, onder meer vanwege zijn rekening-courantschuld.
Het Hof volgde de rechtbank en oordeelde dat de aanspraak terecht werd gewaardeerd op € 71.402, berekend op basis van de contractuele koopsom vermeerderd met rente. Ook de berekende revisierente werd bevestigd. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2012 wordt bevestigd.