Eiser was eigenaar van een perceel in Bergen waarop sinds 12 juni 2009 het bestemmingsplan 'Bergen, Dorpskern Zuid' van toepassing is. Dit plan beperkte de bouwmogelijkheden ten opzichte van het oude bestemmingsplan uit 1937, wat volgens eiser heeft geleid tot waardevermindering van zijn woning. Hij verzocht om tegemoetkoming in planschade, maar dit werd door verweerder afgewezen op basis van een advies van Ten Have Advies.
Eiser stelde bezwaar en beroep in tegen deze afwijzing en overhandigde contra-expertises die een forse waardedaling aantonen. De rechtbank oordeelde dat het advies van Ten Have onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar was, met name omdat Ten Have uitging van een onjuiste planvergelijking en onvoldoende onderbouwing gaf van het planologisch voordeel. De contra-expertises van eiser boden bovendien aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van Ten Have.
De rechtbank stelde vast dat verweerder het advies van Ten Have niet aan zijn besluitvorming had mogen ten grondslag leggen en vernietigde het bestreden besluit. Zij droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen op basis van een nieuwe taxatie, waarbij eiser geacht wordt medewerking te verlenen aan een inpandige bezichtiging. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De rechtbank wees erop dat de planologische beperkingen niet leiden tot aantasting van het open karakter van de omgeving en dat vergunningvrij bouwen mogelijk blijft ondanks de aanduiding 'natuur- en landschapswaarden'. De rechtbank volgde niet het voorstel van eiser om zelf in de zaak te voorzien op basis van de contra-expertises, omdat deze onvoldoende rekening hielden met planmaximalisatie onder het oude bestemmingsplan.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland op 1 juni 2018 en is vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.