ECLI:NL:RBNHO:2018:4513
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake eenhoofdig gezag en kinderbijdrage Amerikaans gezin
De vrouw, woonachtig in de Verenigde Staten, verzocht de Nederlandse rechtbank om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen en haar eenhoofdig gezag toe te kennen, alsmede het vaststellen van een kinderbijdrage door de man. Partijen en het kind hebben de Amerikaanse nationaliteit en het kind was op het moment van het verzoek ingeschreven in Nederland vanwege het werk van de stiefvader.
De man voerde aan dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was, omdat het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland had, en verwees naar internationale verordeningen zoals Brussel II-bis en de Alimentatieverordening. Tevens stelde hij dat er sprake was van litispendentie vanwege een lopende procedure in de Verenigde Staten.
De rechtbank onderzocht de feiten en jurisprudentie omtrent de gewone verblijfplaats van het kind en concludeerde dat het verblijf in Nederland niet duurzaam was, mede omdat het gezin de woning in Nederland te koop had staan en inmiddels was teruggekeerd naar de Verenigde Staten. Daarom had het kind op het moment van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten.
Op grond hiervan oordeelde de rechtbank dat zij niet bevoegd was om te oordelen over de verzoeken van de vrouw, noch op grond van Brussel II-bis, noch op grond van de Alimentatieverordening. Het beroep op litispendentie werd niet inhoudelijk behandeld vanwege het onbevoegdheidsbesluit.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het verzoek tot eenhoofdig gezag en kinderbijdrage omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten had.