Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg in beide zaken
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
‘Vertrokken op: 16 april 2016 naar Registratie Niet Ingezetenen (RNI)’), derhalve vóór de indiening van de verzoeken tot (spoed)uithuisplaatsing van de kinderen in eerste aanleg die op 21 april 2016 zijn gedaan. Het hof zal derhalve op grond van Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (hierna: Brussel II bis) beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de onderhavige zaak te behandelen. Op grond van artikel 8 Brussel Pro II bis zijn in dit geval bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Blijkens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dient het begrip “gewone verblijfplaats” aldus te worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De enkele fysieke aanwezigheid van een kind in een lidstaat kan niet volstaan om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen; de inschrijving en/of uitschrijving van het kind in en/of uit de gemeentelijke basisadministratie van een land is geen factor die op zichzelf doorslaggevend is, maar een factor waarmee hooguit in het geheel van omstandigheden rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind. (zie HvJ EG 2 april 2009, C-523/7, NJ 2009/457; conclusie AG mr. P. Vlas bij HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR2013:BY4107).