ECLI:NL:RBNHO:2018:9307
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid en rente bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2002-2013
Eiser werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2002 tot en met 2013, waarbij ook heffings- en belastingrente in rekening werd gebracht. Deze aanslagen volgden op een strafrechtelijk onderzoek naar niet aangegeven buitenlands vermogen, waarbij de inspecteur de uitkomsten van het FIOD-onderzoek afwachtte voordat hij de aanslagen vaststelde.
Eiser stelde dat de inspecteur niet voortvarend had gehandeld en dat de rente slechts tot 1 oktober 2014 berekend mocht worden. De rechtbank oordeelde echter dat de inspecteur voldoende tijd had gekregen om zorgvuldig te handelen en dat het afwachten van het FIOD-onderzoek gerechtvaardigd was. De berekening van de rente was eveneens correct.
Hoewel de beroepen ongegrond werden verklaard, oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor de behandeling van de beroepszaken met een half jaar was overschreden. Daarom werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 en tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland op 9 november 2018.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen worden ongegrond verklaard, maar de Staat wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 en vergoeding van proceskosten en griffierecht.