ECLI:NL:RBNHO:2019:10076
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toerekeningsstop bij belastingheffing afgezonderd particulier vermogen op Curaçao
De rechtbank Noord-Holland behandelde een geschil over de toepassing van de toerekeningsstop uit artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet IB 2001 op een stichting particulier fonds (de [A]) opgericht op Curaçao. Eisers stelden dat de bezittingen van de [A] niet aan erflater moesten worden toegerekend omdat de stichting in Curaçao belastingplichtig is en daar een reële belastingheffing plaatsvindt.
Verweerder betoogde dat de stichting in Nederland gevestigd zou zijn, dat er geen sprake was van reële heffing en dat fraus legis van toepassing was. De rechtbank oordeelde dat de stichting als inwoner van Curaçao moet worden aangemerkt en dat de belastingheffing aldaar terecht heeft plaatsgevonden. Er was geen bewijs dat de Curaçaose belastingheffing onjuist was of niet redelijk kon zijn.
De rechtbank stelde vast dat de belastingheffing in Curaçao met een tarief van 10% als reëel moet worden beschouwd volgens Nederlandse maatstaven, ook al was de stichting verlieslatend. De stelling van verweerder dat er sprake was van fraus legis faalde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en mat de aanslag naar beneden. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eisers vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en past de toerekeningsstop toe waardoor de aanslag wordt verminderd.