Belanghebbende, onderdeel van een internationaal concern actief in verzekeringen en financiële dienstverlening, hield aandelen in een Ierse vennootschap [D]. Deze vennootschap had geldleningen verstrekt en vorderingen in Amerikaanse dollar en Britse pond, waarbij valutaverliezen ontstonden. In Ierland werden deze valutaverliezen niet in de winstbelasting meegenomen, noch werd rente berekend over renteloze vorderingen.
Het geschil betrof de vraag of [D] als laagbelaste beleggingsdeelneming moest worden aangemerkt volgens artikel 13, leden 9 en 10, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en of valutaverliezen bij de bepaling van de toetswinst in aanmerking moesten worden genomen. Het Hof oordeelde dat valutaverliezen aftrekbaar waren en een rentebate van 2,19% moest worden meegenomen.
De Hoge Raad oordeelde dat valutaverliezen volgens Nederlandse maatstaven bij de toetswinst moeten worden betrokken, maar dat het oordeel van het Hof over de rentebate onvoldoende gemotiveerd was, omdat de kredietwaardigheid van de partijen niet vergelijkbaar was aangetoond. Ook was het oordeel over het tijdstip van verwerking van valutaverliezen onbegrijpelijk. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
De Hoge Raad wees verder op de noodzaak van een reële winstbepaling volgens Nederlandse maatstaven, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de winstberekening in het land van vestiging, maar afwijking is vereist bij structurele verlaging van de effectieve belastingdruk. De proceskosten werden niet aan een partij toegewezen.