ECLI:NL:RBNHO:2019:1013
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake verzoek immateriële schadevergoeding belastingprocedure
Eiseres verzocht om vergoeding van immateriële schade over de periode 2002 tot 2008 in verband met een langdurige procedure omtrent navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Deze procedure betrof een vaststellingsovereenkomst die door de Hoge Raad ongeldig werd verklaard, waarna het Gerechtshof het beroep van eiseres gegrond verklaarde.
Na afloop van de procedure werd een immateriële schadevergoeding toegekend voor een latere periode (2008-2017). Eiseres wilde ook vergoeding voor de eerdere periode en diende meerdere verzoeken in die door verweerder werden afgewezen en als bezwaar en beroep werden aangemerkt. De rechtbank moest beoordelen of zij bevoegd was om over dit verzoek te oordelen.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van verweerder geen besluit is als bedoeld in artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waardoor de belastingrechter niet bevoegd is. Ook de algemene bestuursrechter is niet bevoegd, omdat deze alleen kan oordelen over besluiten waarbij hij ook bevoegd is te oordelen over de onderliggende publiekrechtelijke bevoegdheid, wat hier niet het geval is.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin is bevestigd dat dergelijke verzoeken tot immateriële schadevergoeding in belastingzaken niet door belasting- of bestuursrechter kunnen worden behandeld. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd en adviseert eiseres zich tot de burgerlijke rechter te wenden. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het verzoek tot immateriële schadevergoeding en verwijst eiseres naar de burgerlijke rechter.