ECLI:NL:RBNHO:2019:1558
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op premiegedeelte van de gecombineerde heffingskorting bij ontbreken rechtmatig verblijf
Eiseres, met Pakistaanse nationaliteit, verbleef in 2015 samen met haar gezin in Nederland, maar had geen rechtmatig verblijf omdat haar aanvraag voor verlenging van de verblijfsvergunning in 2014 was afgewezen en dit besluit onherroepelijk was geworden. Voor het jaar 2015 heeft de Belastingdienst een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd waarbij de heffingskorting werd beperkt tot het deel dat ziet op de inkomstenbelasting.
Eiseres stelde beroep in tegen deze aanslag en voerde aan dat de strikte toepassing van de regels onevenredige gevolgen had en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat haar verblijfsvergunning was verlengd. Ook werd aangevoerd dat zij onvoldoende kennis had van de Nederlandse taal en psychische problemen had.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 de verzekering voor volksverzekeringen eindigt bij onherroepelijke afwijzing van het verzoek tot voortgezette toelating na het einde van rechtmatig verblijf. Omdat eiseres niet premieplichtig was, had zij geen recht op het premiegedeelte van de heffingskorting. De aangevoerde omstandigheden konden dit oordeel niet veranderen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag zoals opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiseres niet premieplichtig was en geen recht had op het premiegedeelte van de heffingskorting.