Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
7 februari 2019 in de zaak tegen:
Rechtbank Noord-Holland
Verdachte werd verdacht van witwassen van een waterscooter die in de periode juli 2015 tot augustus 2016 werd aangeschaft. De officier van justitie stelde dat verdachte het geld niet uit legale bronnen kon verklaren en vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken.
Verdediging voerde aan dat verdachte het geld had gespaard uit een Wajonguitkering, verjaardagsgeld, bijdragen van familie en inkomsten uit het opknappen van scooters. Deze verklaring werd ondersteund door verklaringen van familieleden en bankgegevens.
De rechtbank stelde vast dat er een vermoeden van witwassen was, maar dat verdachte een concrete en verifieerbare verklaring gaf voor de herkomst van het geld. Het nader onderzoek door het Openbaar Ministerie leverde geen bewijs dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.
Daarom oordeelde de rechtbank dat het niet wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen en sprak hem vrij.
De rechtbank nam geen beslissing over de inbeslaggenomen goederen, omdat deze onder medeverdachte vielen en daarover reeds een beslissing was genomen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van witwassen van de waterscooter.