Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
mr. drs. [B] , en namens verweerder mr. [C] , mr. [D] , mr. [E] en mr. [F] . Partijen hebben ter zitting afspraken gemaakt om te proberen tot een efficiënte afhandeling van de zaken betreffende de dijkwoningen te komen. In verband daarmee is het onderzoek ter zitting geschorst.
Overwegingen
De rechtbank merkt de onderhavige zaak met de zaken onder nummers HAA 17/4648,
HAA 17/4649 en HAA 17/4653 aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht nu de zaken gelijktijdig zijn behandeld ter (nadere) zitting(en) van de rechtbank, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden van de gemachtigde in deze zaak en de zaken onder de hiervoor genoemde zaaknummers nagenoeg identiek konden zijn. Dit betekent dat de te vergoeden kosten dienen te worden vermenigvuldigd met een factor 1,5 (vier zaken of meer). Aan eiser zal derhalve ¼ van € 1.920 worden toegekend. De rechtbank kent in deze zaak daarom een proceskostenvergoeding toe van € 480.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, behalve voor zover dit betrekking heeft op de kostenvergoeding;
- vermindert de vastgestelde waarde van de dijkwoning tot € 134.552;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelasting van de dijkwoning dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar, voor zover deze is vernietigd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 480 en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.
R. van der Vecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.