Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2019 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
+ € 12.576
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, directeur-grootaandeelhouder van twee vennootschappen, verstrekte een lening van €104.800 aan zijn houdster- en werkmaatschappij. De vennootschappen verkeerden in een slechte financiële positie en gingen in 2014 failliet. Eiser wilde de afwaardering van deze lening in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een geldlening, maar kwalificeerde deze als onzakelijk omdat een willekeurige derde onder dezelfde voorwaarden geen lening zou verstrekken. De slechte financiële situatie van de werkmaatschappij en het ontbreken van zekerheden waren doorslaggevend.
Eiser voerde aan dat hij vertrouwen had in de onderneming en dat de lening geen onzakelijke lening was, maar de rechtbank vond onvoldoende objectieve aanknopingspunten voor levensvatbaarheid. Ook stelde eiser dat de Belastingdienst onzorgvuldig had gehandeld, maar dit werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de lening onzakelijk is en de afwaardering niet in mindering kan worden gebracht op het belastbaar inkomen.