Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(districtskantoor Breda), verweerder,
[bedrijf] N.V., te Apeldoorn,
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, voormalig productmanager die met prepensioen ging wegens gezondheidsredenen, maakte aanspraak op een Ziektewet-uitkering na beëindiging van zijn dienstverband. Verweerder schorste de uitkering per 2 februari 2018 en weigerde uitkering per 28 maart 2018, omdat eiser niet meer onder de ZW viel. Eiser maakte bezwaar en stelde dat het besluit onzorgvuldig was en dat zijn ziektebeeld recht gaf op uitkering.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen toestemming gaf voor inzage in medische gegevens door derde-partij en beperkte de behandeling van medische klachten tot algemene bewoordingen. De medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 juni 2018 concludeerde dat eiser op 9 maart 2018 niet arbeidsongeschikt was. Eiser voerde aan dat deze conclusie onjuist was vanwege een aanval die begon op die dag, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.
De rechtbank volgde de verzekeringsarts en oordeelde dat het beroep zich slechts richtte op de weigering van uitkering per 28 maart 2018. Omdat eiser niet tijdig ziek had gemeld en geen medisch bewijs leverde dat het oordeel onjuist was, was het besluit van verweerder terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van de Ziektewet-uitkering per 28 maart 2018 wordt ongegrond verklaard.