Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
15/050405-19(P)
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 19 juni 2019 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van handel in cocaïne in de periode van december 2018 tot februari 2019. De officier van justitie baseerde haar vordering op stemherkenningen van verdachte in getapte telefoongesprekken en een observatie waarbij verdachte en medeverdachte samen in een auto werden gezien. Bij aanhouding werden een groot geldbedrag bij verdachte en cocaïne bij medeverdachte aangetroffen.
De verdediging stelde zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken moest worden. De rechtbank oordeelde dat de stemherkenningen onvoldoende betrouwbaar waren, mede doordat deze deels gebaseerd waren op eerdere aannames en niet op wetenschappelijk onderbouwde methoden. Ook kon niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een uitwisseling van geld en cocaïne had plaatsgevonden tijdens de geobserveerde ontmoeting.
Gelet op het ontbreken van andere overtuigende bewijsmiddelen en de betwisting van de stemherkenningen door verdachte, concludeerde de rechtbank dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij en beval de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van handel in cocaïne.