Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[eiseres/verweerster],
1.[gedaagde/eiser1] ,
[gedaagde/eiser2],
1.De procedure
- het tussenvonnis met de daarin genoemde feiten van 15 augustus 2018 (hierna: het tussenvonnis)
- het deskundigenbericht van mr. G.J. Kemper van 15 januari 2019
- de conclusie na deskundigenbericht met producties van [eiseres/verweerster] van 13 februari 2019
- de conclusie na deskundigenbericht tevens akte eiswijziging II sub B met producties van [gedaagde/eiser1] c.s. van 13 maart 2019
- de aanvullende conclusie met producties van [eiseres/verweerster] van 1 mei 2019
- de antwoordconclusie tevens inhoudende akte uitlating producties van [gedaagde/eiser1] c.s. van 29 mei 2019
2.De (verdere) feiten
definitieveontvlechting te komen waarbij beide broers elkaar over en weer finale kwijting zouden verlenen. Uit het eerste voorstel, zoals op 27 september 2009 door [A.] op papier gezet (productie 1 van [A.] ) blijkt reeds dat wederzijdse finale kwijting een van de uitgangspunten was. Uit de door [gedaagde/eiser1] opgestelde e-mails (die door [A.] in het geding zijn gebracht) blijkt dat [gedaagde/eiser1] wist van de hoed en de rand en dat hij goed voor ogen had welk resultaat hij wilde behalen. In de e-mails is steeds op alle onderwerpen die verband hielden met de ontvlechting ingegaan. Zo blijkt uit een e-mail van 5 november 2009 van [gedaagde/eiser1] (productie 3 van [A.] ) dat [gedaagde/eiser1] op dat moment op de hoogte was van zijn vordering van fl. 15.000.000,- op [A.] in verband met landgoed Schapenduinen, en dat die vordering is betrokken bij de voorstellen om tot de ontvlechting te komen. Uit een e-mail van 22 december 2009 van [gedaagde/eiser1] volgt dat hij er van op de hoogte was dat in de (concept) notariële aktes wederzijdse finale kwijting was opgenomen. De juistheid van de stelling van [gedaagde/eiser1] dat hij op 29 december 2009 onder onoorbare druk is gezet om de aktes te tekenen, is – gezien tegen de achtergrond van de hiervoor bedoelde e-mailcorrespondentie van partijen – onvoldoende aannemelijk geworden.
Mijn bod is het volgende:
Duin en Daal wordt voor [gedaagde/eiser1] uit ons vermogen aangekocht van [C.]
Het weiland van Duin en Daal wordt aan [gedaagde/eiser1] overgedragen en op zijn naam gesteld
Een bedrag van 1,5 miljoen wordt voor 1 januari 2010 op een door [gedaagde/eiser1] te bepalen rekening overgemaakt.
zodat D&D in ‘ship-shape’ conditie kan worden gebracht”, heeft [A.] daarop in zijn e-mail van 28 december 2009 niet in bevestigende zin gereageerd en is [gedaagde/eiser1] in zijn daarop volgende e-mail van diezelfde dag niet meer op dit punt (is) teruggekomen. Wel schrijft [A.] in zijn zojuist bedoelde e-mail dat het pand “
ship-shape” zal worden opgeleverd. Bij de stukken bevindt zich ook een verklaring van de verkoper van het pand [C.] (productie 3 bij het verweerschrift in hoger beroep, stuk 12), waarin onder meer het volgende te lezen valt:
We hadden afgesproken de woningen( [A.] en [gedaagde/eiser1] leverden ook een woning aan [C.] ; hof)
“as is” te leveren. [gedaagde/eiser1] nam hier geen genoegen mee, omdat hij vond dat er nog wat aan mijn woning in [woonplaats] moest gebeuren. Ik heb hem toen gezegd dat ik de woning shipshape zou opleveren. Hiermee bedoelde ik schoon en op een wijze dat je er zo kon intrekken. In december 2009 ben ik met [gedaagde/eiser1] door de woning gegaan om te kijken wat er nog moest gebeuren. We hebben toen afgesproken dat ik een golfplaten dakje van de garage zou laten repareren en een badkamerkraan en dat ik bepaalde muren zou laten beschilderen die beschadigd waren. [gedaagde/eiser1] was hiermee akkoord en daarom heb ik hem de gordijnen die ik nog niet zo lang daarvoor speciaal heb laten maken (kosten ongeveer 55 duizend euro), een eikenhouten tafel op maat gekocht voor de keuken en een kostbaar Frans logeerbed, (aan [gedaagde/eiser1] ) gegeven. Als [gedaagde/eiser1] toen niet akkoord zou zijn geweest had ik nooit al deze roerende zaken aan [gedaagde/eiser1] geschonken.”
GEBRUIK WEILAND
voor 10 jaar een afspraak te maken over het gebruik. Na deze periode kan dit jaarlijks stilzwijgend worden verlengd op basis van gunning. Ik wil als eigenaar zelf de regie houden over het beheer en ben ook bereid die kosten voor mijn rekening te nemen.”
Ik spreek graag met je af dat zodra er een alternatief weiland is gevonden jij het gebruik en beheer van het weiland krijgt. Acceptabele alternatieven waar ik reeds mee bezig ben zijn: Halve Maantje, Veen & Duin, Meertje van Caprera en ruïne van Brederode.”
het weiland staat mij volledig ter beschikking. Ik ben bereid het gebruik door [D.] te gedogen zolang jij de hypotheeklast van de miljoen voldoet, gedurende de 10 jaars periode.”
‘uitrangeren [A.] als partij’heeft [gedaagde/eiser2] [eiseres/verweerster] de vraag gesteld of het niet tijd wordt om de procedure tegen [A.] af te kappen. Zij heeft geschreven:
3.De vordering in reconventie na eiswijziging
4.De verdere beoordeling
in conventie
Bij de beoordeling van wat redelijk is wordt geen uitspraak gedaan over de vraag of elementen die tot matiging van de declaratie leiden als een toerekenbare tekortkoming kunnen worden gekwalificeerd maar, wat daarvan zij, in dit rapport wordt mede beschreven wat mijn oordeel is over de bestede tijd waardoor overlapping vermeden kan worden als het gaat om de vraag wat het effect van een vast te stellen toerekenbare tekortkoming zou moeten zijn.” Anders dan [eiseres/verweerster] meent blijkt daaruit niet dat de deskundige zich ook heeft uitgelaten over tekortkomingen aan de zijde van [eiseres/verweerster]. De deskundige heeft alleen, zoals hem was opgedragen, de redelijkheid van de omvang van de declaraties getoetst in het licht van de verrichte werkzaamheden en de reeds eerder door [gedaagde/eiser1] c.s. en ARAG betaalde declaraties. Conform die toets heeft de deskundige vervolgens onder 7. van het rapport de redelijkheid van het totaal gevorderde honorarium beoordeeld en in dat kader onder meer meegewogen de feitelijke handelwijze van [eiseres/verweerster] en de uitkomst van de procedure en in dat licht overwogen dat sprake zou moeten zijn van matiging van de declaraties, maar heeft hij zich niet uitgelaten over de vraag of een en ander een tekortkoming oplevert. De vraag of daarvan sprake is zal in reconventie aan de orde komen.
“uit een ander vaatje wilde tappen”,
“door”kreeg. Het mag zo zijn dat [eiseres/verweerster] aanvankelijk werd meegezogen door de overtuigingskracht van [gedaagde/eiser1] c.s. ten aanzien van het onrecht dat [gedaagde/eiser1] zou zijn aangedaan. Echter, in ieder geval de vernietigende uitspraak van de voorzieningenrechter in de beslagprocedure (r.o. 2.1) had [eiseres/verweerster] moeten doen beseffen dat
hijnog onvoldoende wist van de feitelijke gang van zaken om de procedure voort te zetten zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat betaamt. De overwegingen van de voorzieningenrechter, dat uit de door [A.] overgelegde e-mails een heel ander beeld naar voren komt dan door [gedaagde/eiser1] geschetst en dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde/eiser1] op 29 december 2009 onder onoorbare druk is gezet om de aktes te tekenen, hadden aanleiding moeten vormen voor [eiseres/verweerster] om tot herbezinning te komen en met zijn cliënt, [gedaagde/eiser1] , pas op de plaats te maken. Dat geldt des te sterker op het moment dat het gerechtshof Amsterdam op 1 december 2015 in hoger beroep het oordeel van de voorzieningenrechter heeft bekrachtigd (r.o. 2.9). De rechtbank constateert dat dit niet is gebeurd. In tegendeel, geconcludeerd kan worden dat [eiseres/verweerster] het oordeel van de voorzieningenrechter en het gerechtshof naast zich neer heeft gelegd en zonder aarzeling is doorgegaan op de door hem ingezette (ram)koers. Zulks ondanks de vragen en suggesties van [gedaagde/eiser1] c.s. om de zaak te staken of kleiner te maken (r.o. 2.3 en 2.10) in verband met de terechte twijfels die zij inmiddels hadden gekregen en zonder daarbij de door [gedaagde/eiser1] c.s. geuite (geld)zorgen serieus te nemen. Sterker nog, [eiseres/verweerster] heeft [gedaagde/eiser1] c.s. voorgehouden dat zij zich geen zorgen hoefden te maken over een door hen gevreesd faillissement omdat er zeker geld uit de zaak zou komen, zo blijkt uit zijn e-mail van 8 augustus 2015 (r.o. 2.5). Dat [eiseres/verweerster] het oordeel van de voorzieningenrechter en het gerechtshof ten onrechte naast zich neer heeft gelegd en daarna ten onrechte is doorgegaan op de door hem ingezette koers wordt bevestigd door de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2016 alsmede door het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 november 2018, waarin zowel rechtbank als gerechtshof zich buitengewoon kritisch uitlaten over de wijze waarop er door ([eiseres/verweerster] namens) [gedaagde/eiser1] c.s. is (door)geprocedeerd, namelijk opererend in strijd met de waarheidsplicht en met overschrijding van de grenzen van een behoorlijke procesvoering. Feitelijk heeft het gerechtshof de integrale proceskostenveroordeling die in eerste instantie ten gunste van [A.] was uitgesproken alleen vernietigd omdat het gerechtshof oordeelde dat [gedaagde/eiser1] niet kon worden verweten dat hij de adviezen van [eiseres/verweerster] had opgevolgd. [gedaagde/eiser1] is ternauwernood de dans van de integrale proceskostenveroordeling ontsprongen doordat het gerechtshof een opmerkelijke splitsing aanbracht tussen de client en diens advocaat. Dat [eiseres/verweerster] een kansloze zaak heeft aangebracht en ondanks waarschuwingen heeft gecontinueerd acht de rechtbank op grond van de overwegingen van het gerechtshof een inmiddels vaststaand gegeven.
- griffierecht € 883,00
- salaris advocaat