ECLI:NL:RBNHO:2020:10004
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en bezwaar tegen te hoge waardering
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder was vastgesteld op €473.000 voor het kalenderjaar 2019. Eiser stelde dat de waarde te hoog was vanwege verouderde voorzieningen, achterstallig onderhoud, vochtoverlast, scheurvorming, verzakkingen, en een ongunstige tuinligging, en vorderde een verlaging naar €427.000.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, die in dezelfde straat en van hetzelfde bouwjaar waren. De waardematrix was aangepast om alle objectkenmerken, inclusief de kelder, mee te nemen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het ontbreken van de kelder in de oorspronkelijke waardematrix een vergissing was en de correctie ten goede kwam aan de waardebepaling.
De rechtbank vond dat de door eiser genoemde waardedrukkende factoren inherent waren aan het bouwjaar en ook bij de vergelijkingsobjecten aanwezig waren. Ook de stellingen over sluipverkeer en tuinligging werden niet aannemelijk geacht als waardedrukkend effect ten opzichte van de vergelijkingsobjecten. De vastgestelde waarde stond niet in onjuiste verhouding tot de verkoopprijzen van vergelijkbare woningen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter G.H. de Soeten op 25 november 2020 te Haarlem.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €473.000 wordt ongegrond verklaard.