Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
bijlage IIbij dit vonnis zijn vervat.
NJ1993, 225.
bijlage IIbij deze uitspraak zijn opgenomen, dan wel in de bewijsmotivering of kan niet worden gezien als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat respons behoeft.
bijlage IIbij deze uitspraak zijn opgenomen, of kan niet worden gezien als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat respons behoeft.
een doosmet verdovende middelen in Nederland in de ochtend van 28 augustus 2017.
een koffermet een verboden inhoud binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
bijlage IIbij deze uitspraak zijn opgenomen, dan wel in de bewijsmotivering of kan niet worden gezien als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat respons behoeft.
bijlage IIbij deze uitspraak zijn opgenomen, dan wel in de bewijsmotivering of kan niet worden gezien als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat respons behoeft.
bijlage IIen op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 onder Pro A en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet.
€ 330.000,- de woning gekocht aan de [adres] . Zij heeft hiertoe een hypothecaire geldlening afgesloten van € 220.000,- bij [hypotheekverstrekker] . De resterende € 110.000,- heeft [medeverdachte 1] met eigen geld voldaan. Van haar bankrekening bij de ASN bank is een bedrag van € 60.000,- overgeboekt naar de kwaliteitsrekening van de notaris en van haar bankrekening bij de ABN AMRO bank is een bedrag van € 50.000,- naar diezelfde rekening overgemaakt. In de maanden daaraan voorafgaand werden er aanzienlijke bedragen naar de bankrekeningen van [medeverdachte 1] overgemaakt. Zo werd in totaal een bedrag van
€ 60.000,- bijgeschreven op de rekening van [medeverdachte 1] bij de ASN bank afkomstig van [bedrijf 4] , met als omschrijving ‘uitbetaling lening’. Op de rekening van [medeverdachte 1] bij de ABN AMRO bank werd in totaal een bedrag van € 50.000,- bijgeschreven, eveneens afkomstig van [bedrijf 4] staat op naam van [getuige 1] . Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat er voor dit bedrijf over 2015 geen omzet is opgegeven. [getuige 1] heeft verklaard de vennootschap op verzoek van zijn oom [medeverdachte 10] op zijn naam te hebben gezet en verder geen bemoeienis hiermee te hebben gehad. Op de bankrekening van [bedrijf 4] bij de ING bank zijn in de periode van 25 maart 2014 tot en met 26 oktober 2016 bedragen van in totaal € 450.000,- contant gestort. [medeverdachte 10] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij geld heeft geleend aan [medeverdachte 1] via één van zijn bedrijven, dat hij niet meer precies weet of het een bedrag van
€ 125.000,-, € 160.000,- of € 180.000,- betrof, dat [verdachte] hem contante bedragen heeft overhandigd ter terugbetaling en dat het geld dat hij (contant) in zijn bedrijven stopte en uitleende, afkomstig is uit kantoorkosten die contant werden betaald, goudhandel en het casino. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het geldbedrag van € 110.000,- ‘in principe geleend is’ en dat [verdachte] het allemaal heeft geregeld voor haar en dat hij goed voor haar en de kinderen zorgt. Op 6 juli 2015, vlak voor de overdracht van de woning, is een bedrag van € 10.000,- van de bankrekening van [verdachte] afgeschreven ten gunste van Notaris Unie, met als omschrijving ‘zaaknummer 61577’, zijnde het zaaksnummer dat betrekking had op de aankoop van de woning aan de [adres] . De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, het vermoeden van witwassen van het bedrag van € 110.000,- rechtvaardigen.
bijlage IIIis weergegeven.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Bijkomende straf
8.Vermogensmaatregel
9. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie en
11.Beslissing
90 [negentig] maanden.