ECLI:NL:RBNHO:2020:10946
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onvoldoende inzage bankafschriften niet gerechtvaardigd
Eisers ontvingen vanaf 2011 een bijstandsuitkering. Verweerder heeft het recht op uitkering ingetrokken vanaf 1 januari 2018 en de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode 1 januari tot en met 31 juli 2018 teruggevorderd. Dit op grond van het niet overleggen van alle gevraagde bankafschriften.
Verweerder stelde dat hij op grond van artikel 53a van de Participatiewet bevoegd was om inzage te verlangen in bankafschriften over een langere periode dan drie maanden zonder concrete aanleiding. Eisers voerden aan dat dit in strijd was met het EVRM en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de langere periode relevant was.
De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksbevoegdheid van verweerder niet onbeperkt is en dat inzage in bankafschriften over een langere periode alleen kan worden verlangd bij concrete aanleiding. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom bankafschriften vanaf 1 januari 2018 nodig waren. De enkele stelling dat de situatie over een ruimere periode wilde worden bekeken volstaat niet.
Daarom kon het recht op bijstand vanaf 1 januari 2018 niet worden ingetrokken en de terugvordering niet worden gehandhaafd. Het beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de primaire besluiten herroepen. Verweerder is veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en wettelijke rente over de na te betalen bijstand.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden vernietigd.