Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[eiser1],
[eiser2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 december 2019 met producties 1 tot en met 33 van de zijde van [eiser1] c.s.;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12 van de zijde van PostNL;
- het tussenvonnis van 4 maart 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;
- de akte overlegging producties met producties 33a tot en met 45 van de zijde van [eiser1] c.s.;
- de mondelinge behandeling van 29 oktober 2020, waarbij door beide partijen pleitaantekeningen zijn voorgedragen.
2.De feiten
[D.] is vanochtend langs geweest en heeft ook zijn akkoord gegeven.
Mooi, dat is goed nieuws. (…)”
Dank voor het leuke gesprek en de lekkere vlaai. Zoals afgesproken stuur ik jullie hierbij mijn interpretatie van het proces en de mogelijke knelpunten.
Opschakelen Sales voor ondersteuning pakketten idee (is reeds gedaan) PST Pakketten”. [F.] heeft PST voorts in een e-mail van 15 maart 2014 gefeliciteerd met het binnenhalen van een klant.
6:49:40[G.][[G.], toevoeging rechtbank]
:naar je toekomst toe heb ik nu gekeken wat is wat kan ik nu over de bupo het enige wat ik nu wel te weten heb gekregen is dat we de bupo’s vrij beperkt houden ,het gebeur[t]
ook niet zo heel veel dus ook over de frankeer machine ik kreeg daar ook niemand meer over te pakken.
:Dat gaat lukken?
dat is mijn werk titel altijd geweest Dat klinkt heel mooi en sjiek Engels maar het gaat er gewoon om dat je pakjes weet binnen te halen
Overwegingen
[G.] die op gesprek is geweest bij jullie…toen ben ik opgetrommeld .. dan ga ik samen met iemand kijken hoe je dat samen kan inkleden en inkleuren. We hebben een beleid binnen PostNL .. gaat over stapelen …. Kan werkelijk geen ruimte bieden in de markt voor partijen en pakjes gaan ophalen bij de klant. Of… die wij zelf bewerken vanuit sales die wij met 28 man van het zuiden… onder contract aanbieden door PostNL.
Zoals beloofd zou je de parameters voor onze samenwerking aangaande het Salesagentschap nog op de mail zetten. Dit zullen we vervolgens officieel vastleggen in een samenwerkingsovereenkomst.
- De samenwerking wordt lokaal opgetuigd ten aanzien van New Business in de regio.
- Het betreft louter het (terug)winnen van nieuwe klanten, waarbij in de afgelopen 6 maanden geen salesactiviteit namens PostNL heeft plaatsgevonden.
- Registratie wordt bijgehouden in het CRM-systeem van PostNL (SalesForce).
- PostNL Pakketten sluit op “eigen regie” marktconforme contracten met de aangeleverde prospects/leads.
- De aanleverfee bestaat uit €0,25 per gesorteerd pakketten op NLI, en nog een variabel €0,25 per gecollecteerd pakket door [eiser1] (indien van toepassing).
- Gecollecteerde pakketten worden direct aangeleverd op onze NLI vestiging in Born (sorteercentrum).
- Fee blijft van kracht gedurende de looptijd van het eerste contract en eindigt derhalve bij verlening/einde van de desbetreffende vervoersovereenkomst (einde looptijd eerste contract). (…)”
3.Het geschil
Plas/Valburg), aldus nog steeds [eiser1] c.s.
4.De beoordeling
primaire grondslag: tekortkoming, uitleg van de vaststellingsovereenkomst
Haviltex)).
stapelcontract” (ook wel stapelconstructie of stapelaar genoemd).
salesagent” door [G.] uitsluitend is opgeworpen om te vermijden dat de afspraken in strijd zouden komen met het beleid van PostNL om geen stapelcontracten meer te sluiten, maar dat feitelijk het PST-concept toch werd omarmd, vindt geen steun in het transcript van het gesprek van 29 april 2014. Uit geen enkele aangehaalde passage blijkt dat PostNL die indruk bij PST heeft gewekt. In tegendeel: PostNL heeft juist benadrukt dat zij niet wilde dat PST haar klant zou worden.
samen met [eiser1] werken aan de groei van het pakkettenbedrijf door middel van een duidelijk omschreven pilot om te kijken of ermeer lokale pakketten kunnen worden gecollecteerd voor het netwerk van PostNL, zonder “stapelcontract”.En in artikel 3: “
PostNL zal in samenwerking met [eiser1] voor 1 juni 2014 een pilot opstarten volgens duidelijke kaders waarbij het uitgangspunt is dat pakketten kunnenworden gecollecteerd door [eiser1] tegen een fee per pakketzonder dat er sprake is van een stapelcontract.”
fee” die in artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst is genoemd, betrekking heeft op de tarieven die PST in het kader van het PST-concept in rekening zou brengen bij haar klanten. Dat zou dus betekenen dat niet PostNL, maar PST een contract sluit met de eindklant, en dat PST vervolgens een klant wordt van PostNL (een stapelcontract). Voor deze uitleg bieden het gesprek op 29 april 2014 en de tekst van de vaststellingsovereenkomst geen enkel aanknopingspunt. Daarbij komt dat deze uitleg van het woord “
fee” in artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst strijdig is met de onmiddellijk daaropvolgende zinsnede dat geen sprake zal zijn van een stapelcontract (“
zonder dat sprake is van een stapelcontract”), hetgeen [G.] in het gesprek van 29 april 2014 heeft uitgelegd als een constructie waarbij PST klant wordt van PostNL. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor zover PST het woord “
fee” in artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst daadwerkelijk heeft opgevat op de wijze zoals [eiser1] c.s. in deze procedure verdedigen, en PST werkelijk dacht dat artikel 3 een Pro weergave vormde van het PST-concept, die verwachting kennelijk uitsluitend is gegrond op de sterke wens daartoe van PST, maar die verwachting niet is gerechtvaardigd door de gedragingen en verklaringen van PostNL ([G.]). Daarom kan PST aan die verwachting geen rechten ontlenen.
die PST toch ook doen”, waarop [G.] heeft gevraagd wat [eiser1] bedoelde (“
PST ?”). Daarop heeft [eiser1] de naam toegelicht (“
Sneltransport pakketten zuid Limburg”, waarop [G.] heeft geantwoord met “
Ja, ja..”.Vervolgens heeft [eiser1] toegelicht dat hij 10 tot 15 extra containers nodig had “
om de overslag te doen” en zodat zij “
de PST pakketten niet los in het schap hoeven te zetten”.
PST” ook doorging (waarbij een rol kan hebben gespeeld dat het PST-concept deels dezelfde naam droeg als PST, de vennootschap onder firma van [eiser1] c.s.). Dat [G.] niet wist wat [eiser1] bedoelde, blijkt reeds uit het feit dat hij vroeg om een uitleg (“
PST ?”). Voor zover [eiser1] medewerking vroeg van PostNL aan het PST-concept, waarbij PST een klant zou worden van PostNL, en wat dus een afwijking zou betekenen van de duidelijke afwijzing van een dergelijke constructie door [G.] in datzelfde gesprek, heeft [eiser1] dat niet kenbaar gemaakt aan [G.]. De vraag om toelichting van [G.] heeft hij immers enkel beantwoord met “
[eiser1] Sneltransport pakketten zuid Limburg”.
Ja, ja…”) en de opmerking van [eiser1] dat hij de extra rolcontainers wilde gebruiken voor “
PST pakketten” mocht PST daarom niet afleiden dat [G.] van zijn eerdere uitdrukkelijke bezwaren tegen een constructie waarbij PST de klant zou worden van PostNL (een stapelcontract) is teruggekomen en hij daarmee alsnog heeft ingestemd. Dat is immers niet besproken en dat mocht PST gezien hetgeen op 29 april 2014 verder is gezegd, niet uit de verklaringen en gedragingen van [G.] afleiden. In de latere vastlegging van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst is de afwijzing van een dergelijk stapelcontract bovendien nog eens uitdrukkelijk (en tweemaal) herhaald, zodat voor PST duidelijk was dat daarop geen uitzondering was gemaakt. Evenmin blijkt uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst dat naast de pilot van artikel 3 (collecteren van pakketten tegen een fee en het als salesagent binnenhalen van klanten tegen een fee) een tweede of andere samenwerkingsvorm is afgesproken, zoals [eiser1] c.s. in deze procedure stellen.
(“Doen we niet.”).Anders dan [eiser1] c.s. veronderstellen, is dat geen schending van de vaststellingsovereenkomst, maar slechts een herhaling van de afspraken die daarin zijn gemaakt. Dat [K.] een nadere toelichting heeft gegeven op de reden waarom geen medewerking wordt verleend aan een stapelcontract (omdat PostNL zichzelf dan concurrentie zou aandoen), maakt dat niet anders. Uit het transcript volgt daarnaast dat [K.] het PST-concept, zoals dat PST voor ogen stond, heeft afgewezen. Daarmee heeft hij echter niet in strijd gehandeld met de vaststellingsovereenkomst, omdat daarin niet is afgesproken dat PostNL zou meewerken aan het PST-concept. Tijdens het gesprek met [K.] heeft [eiser1] gesteld dat hij met [G.] had afgesproken dat het PST-concept (althans de “
eigen pakkettendienst” van PST) uitgevoerd zou worden, en dat dit ook in de “
afsprakenlijst” staat. Dat is echter niet in overeenstemming met (het transcript van) het gesprek met [G.] op 29 april 2014 en de vaststellingsovereenkomst. Dat [K.] tijdens het gesprek van 16 juni 2014 daarop niet verder is ingegaan, levert daarom evenmin een tekortkoming van PostNL op.
ik heb nog geen idee hoeveel handel er zit en hoe het gaat lopen…”). Voor de in het verleden geleden verliezen heeft PostNL blijkens de vaststellingsovereenkomst bovendien een vergoeding aan PST betaald van € 75.000. Het kan zijn dat PST bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst de inschatting heeft gemaakt dat zij met de pilot haar toekomstige kosten kon dekken, maar dat (ondernemers)risico ligt bij PST en niet bij PostNL. Weliswaar ligt voor de hand dat het PST-concept voor PST winstgevender zou zijn dan de door [K.] voorgestelde samenwerking, maar dat is niet relevant, omdat PostNL zich niet aan het PST-concept heeft gecommitteerd. Daarom kon PST daaraan geen aanspraken of gerechtvaardigde verwachtingen over de winstgevendheid van de pilot ontlenen.
lokaal klanten binnen ha[a]l[en]”in het transcript van het gesprek op 29 april 2014). Ook in de vaststellingsovereenkomst is dit vastgelegd, in nummer 19 van de considerans, waar staat dat PST voor “
het netwerk van PostNL” pakketten gaat collecteren. Gezien het voorgaande was het aanbod van [K.] niet in strijd, maar juist in lijn met de afspraken die PST met [G.] had gemaakt en die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst.
pilot” heeft genoemd, doet daaraan niet af, omdat de inhoud van de door hem voorgestelde samenwerking valt binnen de kaders die in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen. [eiser1] c.s. hebben tegen die door [K.] voorgestelde samenwerking geen andere bezwaren aangevoerd, dan de bezwaren die in het voorgaande zijn besproken en ongegrond zijn bevonden. De omstandigheid dat die samenwerking niet van de grond is gekomen, omdat PST daaraan geen medewerking heeft verleend, komt daarom voor rekening en risico van PST. De vraag of artikel 3 moet Pro worden aangemerkt als een resultaatsverbintenis tot het opstarten van een pilot, zoals [eiser1] c.s. primair betogen, kan in het midden blijven. Zelfs indien daarvan sprake is, heeft PostNL aan haar verplichtingen voldaan, omdat de omstandigheid dat PST niet aan de door [K.] voorgestelde samenwerking wilde meewerken, niet voor haar rekening komt.
Plas/Valburg), en HR 23 oktober 1987, NJ 1988/1017 (
VSH/Shell)).