Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
‘Bedrag’).
Rechtbank Noord-Holland
Eiser maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffing en premies ZVW op een eenmalige uitkering van €900.005,03 die hij ontving na een vaststellingsovereenkomst met Stichting [d], die het pensioenfonds beheert. Deze uitkering volgde op een langdurig juridisch geschil over de aanspraak op partnerpensioen na het overlijden van [a], de partner van eiser en piloot bij [b].
De rechtbank stelde vast dat de uitkering voortvloeit uit de dienstbetrekking van [a] bij [b], ook al was eiser zelf niet in dienst. Het causale verband tussen de dienstbetrekking en de uitkering is aanwezig, omdat de aanspraken direct verband houden met de pensioenregeling voor vliegend personeel. De uitkering is daarom aan te merken als loon uit vroegere dienstbetrekking.
Eiser voerde aan dat de uitkering niet als loon moest worden gezien omdat hij geen aanspraak had op pensioen en de vaststellingsovereenkomst buiten de pensioensfeer was gesloten. De rechtbank verwierp dit en oordeelde dat de uitkering zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking dat loonheffing terecht is ingehouden.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en de inhouding van loonheffing en premies ZVW werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de inhouding van loonheffing en premies ZVW op de eenmalige uitkering wordt ongegrond verklaard.