Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Hertogenboschvan 17 maart 1982 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1976;
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een schadevergoeding van zijn werkgever voor een arbeidsongeval in 1968, waarbij hij ernstig gewond raakte en volledig arbeidsongeschikt werd. De vergoeding bestond uit bedragen voor zaakschade, smartegeld en verlies aan arbeidsvermogen. De Inspecteur stelde dat deze vergoeding als loon uit dienstbetrekking belastbaar was, wat het hof bevestigde.
De Hoge Raad oordeelt dat vergoedingen voor immateriële schade en verlies van arbeidsvermogen niet automatisch als loon uit dienstbetrekking moeten worden aangemerkt, tenzij zij hun grond vinden in de dienstbetrekking. In dit geval was het ongeval ook voor derden mogelijk en was de schadevergoeding gebaseerd op een onrechtmatige daad van de werkgever, niet uitsluitend op de dienstbetrekking.
Daarom is het oordeel van het hof dat de vergoeding als loon uit dienstbetrekking moet worden belast onjuist. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming dat de schadevergoeding niet automatisch als loon uit dienstbetrekking belastbaar is.