Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 25
€ 4.084
Rechtbank Noord-Holland
Eiser heeft tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015 beroep ingesteld omdat verweerder de aftrek van specifieke zorgkosten, met name reiskosten voor fysiotherapie in Amsterdam, niet heeft geaccepteerd. Eiser stelde dat hij gemiddeld drie keer per week fysiotherapie ontving en beschikte over een door zijn werkgever ter beschikking gestelde auto. Ter onderbouwing overhandigde hij een ongedateerde verklaring van een fysiotherapeut.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de voorwaarden van artikel 6.17 Wet IB 2001 voldoet. De verklaring was ongedateerd en onvoldoende specifiek over het aantal behandelingen en de medische noodzaak. Daarnaast wekte de vriendschapsband tussen eiser en fysiotherapeut twijfel over de noodzaak en betaling van de behandelingen. De vraag of eiser een auto ter beschikking had, werd niet meer behandeld.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Een verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen vanwege samenhang met een ander beroep waarin reeds een vergoeding was toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter Kleefmann op 14 april 2020 en kan binnen zes weken worden bestreden bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015 wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de specifieke zorgkosten.