Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder, verweerder
Procesverloop
[naam] , een vriendin, verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
25 oktober 2017. Eiseres heeft binnen deze periode oppaswerkzaamheden verricht. Gelet op de aard, omvang, de duur en het structurele karakter kunnen deze werkzaamheden aangemerkt worden als op geld waardeerbare arbeid. Verweerder is terecht uitgegaan van een fictief inkomen nu van een reële betaling voor de verrichte werkzaamheden geen sprake is. Eiseres kan in ieder geval het wettelijk minimumloon bedingen. Dat zij dit heeft nagelaten komt voor rekening en risico van eiseres.
Verweerder is uitgegaan van een fictief inkomen van € 300,- per maand. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt of stilgestaan is bij de vrij te laten jonggehandicaptenkorting als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder c, van de PW. Daarnaast is verweerder ten onrechte uitgegaan van bedragen zonder vakantietoeslag. De huidige berekening kan dan ook niet in stand blijven. Daarbij vraagt de commissie zich af of geen rekening gehouden moet worden met de (fictieve) gevolgen van de fictieve inkomsten op de Wajonguitkering. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres een reëel perspectief op inschakeling op de arbeidsmarkt heeft, waardoor niet kan worden geoordeeld dat eiseres zicht heeft op inkomensverbetering.
Als er al sprake zou zijn van inkomen dan heeft verweerder ten onrechte met een fictief inkomen gerekend. Het inkomen blijkt immers concreet uit het dossier. Eiseres komt hiermee niet boven de 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm uit. Volgens eiseres dienen de feitelijke inkomsten als uitgangspunt te worden genomen.
Indien toch met een fictief inkomen mag worden gerekend dan stelt eiseres dat € 5,- per kind per uur veel te hoog is en dat verweerder het aantal uren verkeerd heeft ingeschat. Uit het werkrooster van de vriendin van eiseres volgt dat twee keer per week sprake is van een avond-/slaapdienst. Dit is ongeveer vier keer per maand. Er dient uitgegaan te worden van
8 uur per kind, per maand. Daarbij dient het laagste tarief van het Nibud (voor scholieren) tussen de € 3,10 en € 4,70 per uur te worden gehanteerd. Bij een bedrag van € 3,10 per kind per uur gedurende 8 uur per kind per maand is in totaal sprake van een inkomen van € 49,60 per maand. Samen met haar Wajonguitkering heeft zij dan een inkomen van minder dan 110% van de voor haar geldende bijstandsnorm. Tot slot is gelet op haar gezondheidssituatie, het vrijblijvende karakter van de oppaswerkzaamheden en het gegeven dat het om een vriendendienst gaat, aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Aan haar had dan ook de langdurigheidstoeslag moeten worden toegekend.
Artikel 36, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen.
In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in artikel 36. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de regels, bedoeld in het eerste lid, voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel b, in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.
b. een IOAW- of IOAZ-uitkering;
c. een volledige Wajonguitkering.
(…)
(…)
e. uitzicht heeft op een inkomensverbetering;
(…)
2. Onder laag inkomen wordt verstaan het in aanmerking te nemen netto-maandinkomen van maximaal 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1255, waarbij is overwogen dat gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, van de PW, in verbinding met artikel 31, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder slechts van de feitelijke inkomsten uit had moeten gaan, slaagt dan ook niet.
Beslissing
F. Voskamp, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.