ECLI:NL:RBNHO:2020:2839
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op AOW-korting wegens niet-ingezetenschap in periode 1998-2003
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een korting van 8% op zijn AOW-pensioen, omdat hij over de periode van 16 december 1998 tot en met 24 juni 2003 niet als ingezetene in Nederland stond ingeschreven volgens het Basisregistratie Personen (Brp). Verweerder heeft deze korting gehandhaafd omdat eiser in die periode geen zelfstandige woning in Nederland had, niet in Nederland woonde of werkte, en geen Nederlandse sociale uitkering ontving.
Eiser stelde dat hij een duurzame band met Nederland had behouden en dat hij ten onrechte als niet-ingezetene werd beschouwd. Hij voerde aan dat hij geen vaste woonplaats buiten Nederland had, een postbusadres en verzekeringen in Nederland had, en dat zijn ouders in Nederland woonden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende objectiveerbare en verifieerbare gegevens had aangeleverd om de eerdere vaststelling van niet-ingezetenschap te weerleggen.
De rechtbank benadrukte dat verweerder reeds in 2010 een pensioenoverzicht had opgesteld waarin deze periode was beoordeeld, en dat eiser geen bezwaar had gemaakt tegen dat besluit. Op eiser rustte daarom een vergaande bewijslast om aan te tonen dat hij wel verzekerd was in die periode. Nu eiser niet voldeed aan deze bewijslast, werd het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter W.B. Klaus en griffier F. Voskamp op 17 april 2020. Vanwege coronamaatregelen is de uitspraak niet openbaar uitgesproken, maar zal dat worden ingehaald zodra mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de korting op het AOW-pensioen wegens niet-ingezetenschap in de periode 1998-2003 is ongegrond verklaard.