ECLI:NL:CRVB:2015:1590

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2015
Publicatiedatum
22 mei 2015
Zaaknummer
13-1786 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7 AOWArt. 5 Besluit 3/80Art. 9 Besluit 3/80Art. 13 Besluit 3/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzekering AOW-pensioen bij toepassing EVSZ en Besluit 3/80

Appellant, geboren in 1946 in Turkije en werkzaam sinds 1982 bij een Turkse overheidsinstelling in Nederland, vroeg een AOW-pensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in Nederland en wees zijn aanvraag af. Appellant voerde aan dat hij op grond van het Besluit 3/80 verzekerd zou zijn geweest.

De Raad overwoog dat een pensioenoverzicht een besluit is waartegen bezwaar en beroep mogelijk is, maar dat het aantal verzekerde jaren niet definitief vaststaat totdat het feitelijk pensioen wordt toegekend. De Raad stelde vast dat het Besluit 3/80 niet van toepassing is omdat het niet in de plaats treedt van het EVSZ, dat ook voor Turkije geldt. Verder oordeelde de Raad dat appellant als werknemer van de Turkse overheid onder de Turkse sociale zekerheidswetgeving valt en niet tegelijkertijd verzekerd kan zijn geweest in Nederland.

De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Het beroep van appellant faalde omdat hij niet aannemelijk maakte dat hij in Nederland verzekerd was voor de AOW in de jaren in geschil.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij niet verzekerd was voor de AOW in Nederland maar onder de Turkse wetgeving viel.

Uitspraak

13/1786 AOW
Datum uitspraak: 13 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
28 februari 2013, 12/2283 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Köse-Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Voor appellant is verschenen mr. A.K. Tosun. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1946 in Turkije en in het bezit van de Turkse nationaliteit, is sinds 8 juli 1982 werkzaam bij het [werkgever] van Turkije in Rotterdam. Daarvoor is hij in Turkije werkzaam geweest. Op 17 december 2009 heeft de Svb appellant, op zijn verzoek, een pensioenoverzicht toegezonden, waarin is opgenomen dat appellant tot en met
4 november 2009 niet verzekerd is geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tegen dit overzicht heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Hij heeft een aanvraag voor een pensioen op grond van de AOW ingediend op 2 juli 2011. Bij besluit van 11 juli 2011 heeft de Svb appellant laten weten dat hij geen recht heeft op een AOW-pensioen, omdat hij daarvoor in Nederland niet verzekerd is geweest. Dit besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 13 april 2012 (bestreden besluit).
2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij op grond van het Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije (Besluit 3/80) vanaf 1982 in Nederland verzekerd is geweest voor de AOW. In verweerschrift heeft de Svb de stelling ingenomen dat in rechte vaststaat dat appellant tussen 8 juli 1982 en 4 november 2009 niet verzekerd was voor de AOW. Dit volgt, volgens de Svb, uit het gegeven dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het pensioenoverzicht van 17 december 2009. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit het, in rechte vaststaande, pensioenoverzicht volgt dat slechts in geding is de vraag of appellant verzekerd is geweest tussen 4 november 2009 en 22 december 2011. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
3.1.1.
In hoger beroep is allereerst aan de orde de vraag of uit het in rechte vaststaande pensioenoverzicht volgt dat het niet verzekerd zijn voor de AOW van appellant wat betreft de periode tot 4 november 2009 vaststaat.
3.1.2.
Naar vaste rechtspraak van de Raad is een pensioenoverzicht een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen in rechte opgekomen kan worden. Een dergelijk pensioenoverzicht kan alleen aangevraagd en verstrekt worden over een periode waarin mogelijk verzekerde jaren zijn opgebouwd, maar waarin feitelijk nog geen recht op een AOW-pensioen bestond.
3.1.3.
Zoals blijkt uit artikel 7 van Pro de AOW is het systeem dat per jaar wordt bezien of iemand verzekerd is geweest. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dient door de Svb beoordeeld te worden of recht bestaat op een (gedeeltelijk) AOW-pensioen. Het voorafgaand aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd aanvragen en verstrekken van een pensioenoverzicht geeft een (potentieel) verzekerde de mogelijkheid eerder dan bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de Svb te vernemen wat zijn standpunt is over de verzekering, voor zover op dat moment vastgesteld kan worden met de dan beschikbaar zijnde gegevens. Deze (potentieel) verzekerde kan zo nodig bezwaar maken en eventueel een rechterlijke procedure voeren om onjuistheden te laten herstellen en verschillen van inzicht te laten toetsen. Op zo’n eerder moment dan bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is het over het algemeen eenvoudiger schriftelijke bewijsstukken over te leggen ter onderbouwing van een standpunt.
3.1.4.
Mede gezien de tekst van artikel 7 van Pro de AOW en naar analogie van de rechtspraak over de herhaalde aanvraag kan echter niet gezegd worden dat, ook voor de toekomst, het voorheen via een pensioenoverzicht vastgestelde aantal verzekerde jaren definitief vaststaat. Nu het feitelijk rechtsgevolg pas intreedt bij het, na aanvraag, (mogelijk) toekennen van een AOW-pensioen, dient de Svb op dat moment opnieuw te onderzoeken in welke jaren iemand verzekerd was. Voor zover dit onderzoek ziet op jaren waarover via een pensioenoverzicht reeds een standpunt was bepaald, dient een (potentieel) verzekerde wel deugdelijk en toereikend te motiveren waarom de eerdere vaststelling naar zijn mening onjuist was.
3.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van de artikelen 5, 9 en 13 van het Besluit 3/80 als verzekerd moet worden aangemerkt in de jaren in geding. Deze, ook met schriftelijke stukken onderbouwde, stelling had voor de Svb aanleiding moeten zijn te onderzoeken of appellant verzekerd is geweest in de jaren in geding.
3.3.
Nu de rechtbank slechts de periode beoordeeld heeft vanaf 4 november 2009 slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak vernietigd te worden. Geconstateerd moet echter worden dat de Svb in het bestreden besluit een oordeel heeft gegeven over de gestelde verzekering van appellant met betrekking tot alle jaren in geding. Appellant heeft inhoudelijke gronden aangevoerd tegen deze beoordeling. Met het oog op definitieve geschilbeslechting zal de Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen. De Raad overweegt daarover als volgt.
3.4.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of Besluit 3/80, dan wel het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ) in de situatie van appellant van toepassing is. Appellant heeft zijn stelling met betrekking tot Besluit 3/80 herhaald, terwijl de Svb meent dat op grond van artikel 14, onder a, in samenhang met artikel 17, tweede lid, van het EVSZ volgt dat appellant verzekerd is geweest volgens de Turkse wetgeving.
3.4.2.
Appellant kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat hij op grond van een aantal artikelen uit Besluit 3/80 als verzekerd aangemerkt moet worden. Op grond van artikel 5 van Pro Besluit 3/80, voor zover van belang, treedt dit besluit in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat uitsluitend voor twee of meer lidstaten verbindend is. Dit houdt in dat Besluit 3/80 niet in de plaats is getreden van het EVSZ, nu dit verdrag ook verbindend is voor Turkije en dus niet uitsluitend voor twee of meer lidstaten. Overigens moet worden vastgesteld dat artikel 9 en Pro artikel 13 van Pro Besluit 3/80 naar het oordeel van de Raad door appellant niet voor de rechter kunnen worden ingeroepen, nu deze bepalingen coördinatievoorschriften bevatten die bij toepassingsverordening nader moeten worden uitgewerkt en het voorstel voor een toepassingsverordening (Pb. 1983, C110) nog niet in werking is getreden. De Raad verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 10 september 1996, C-277/94, Taflan-Met en van
26 mei 2011, C-485/07, Akdas e.a. Ook als Besluit 3/80 van toepassing was, zou dit dus niet tot het door appellant gewenste resultaat hebben geleid.
3.4.3.
Hieruit volgt dat de situatie van appellant beoordeeld dient te worden met inachtneming van het EVSZ. Op grond van artikel 14, onder d, van het EVSZ is op personen in overheidsdienst van toepassing de wetgeving van de verdragsluitende partij waaronder de overheidsdienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert. Zoals ook ter zitting is bevestigd, was appellant werkzaam in dienst van de Turkse overheid. Reeds op grond hiervan moet de conclusie luiden dat op appellant de Turkse wetgeving van toepassing was. Uit het dossier blijkt dat appellant in de jaren in geding in Turkije verzekerd was voor een Turks ouderdomspensioen. Hij kan dus niet tegelijkertijd verzekerd zijn geweest in Nederland. Voor zover hierover anders geoordeeld zou kunnen worden moet worden geconcludeerd dat uit artikel 17, tweede lid, van het EVSZ eveneens volgt dat appellant niet in Nederland verzekerd was. Gegeven het feit dat hij doorlopend in Turkije verzekerd was, heeft hij blijkbaar gekozen voor deze Turkse verzekering. Toepassing van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963 leidt niet tot een andere uitkomst.
3.4.4.
Uit 3.4.1 tot en met 3.4.3 volgt dat het beroep ongegrond verklaard zal worden.
4. Er bestaat aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;
  • bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en
E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) P. Uijtdewillegen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

JL