Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
- medeplegen van oplichting (feit 1);
- medeplegen van overtreding van artikel 2:96 van Pro de Wet op het financieel toezicht (feit 2);
- medeplegen van valsheid in geschrift en/of medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften (feit 3);
- deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (hierna ook: deelneming aan een “criminele organisatie”) (feit 4).
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de straf
7.Vorderingen benadeelde partijen
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
niet bewezenwat aan verdachte onder de feiten 1, 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
bewezendat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
30 (dertig) uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met bevel dat
deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
niet-ontvankelijkin de vorderingen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum