ECLI:NL:RBNHO:2020:3341

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2020
Publicatiedatum
4 mei 2020
Zaaknummer
8127402 CV EXPL 19-16597
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Wck (oud)artikel 8 Voorwaarden Studentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken rechtsgeldige ingebrekestelling bij opeising kredietovereenkomst

ING Bank N.V. heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde wegens niet-nakoming van een kredietovereenkomst afgesloten in 2004 met een kredietlimiet van €4.500,-. De bank heeft het krediet ineens opgeëist wegens betalingsachterstanden. De gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter heeft ING in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, waaronder het overleggen van de overeenkomst, algemene voorwaarden, ingebrekestelling en opeisingsbrief. ING heeft gesteld te hebben voldaan aan haar informatie- en zorgplichten, maar kon geen ingebrekestelling overleggen.

De rechtbank oordeelt dat op grond van de Wet op het consumentenkrediet (oud) een kredietnemer pas rechtsgeldig kan worden geconfronteerd met opeising indien hij na een schriftelijke ingebrekestelling met een redelijke termijn nalatig blijft. ING heeft geen rechtsgeldige ingebrekestelling overgelegd. Het verwijzen naar een opeisbaarstellingsbrief volstaat niet.

Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor vervroegde opeisbaarheid van het krediet. Het contract loopt nog steeds onder dezelfde voorwaarden door. De vordering wordt afgewezen en ING wordt veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde nihil worden vastgesteld.

Uitkomst: De vordering van ING wordt afgewezen wegens ontbreken van een rechtsgeldige ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8127402 CV EXPL 19-16597
Uitspraakdatum: 6 mei 2020
Verstekvonnis in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ING Bank N.V.,
te Amsterdam,
hierna: ING,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
hierna: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
ING heeft [gedaagde] gedagvaard. Tegen [gedaagde] is verstek verleend. Bij tussenvonnis van 15 januari 2020 heeft de kantonrechter ING in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 12 februari 2020 heeft gedaan.

2.De vaststaande feiten

2.1.
ING en [gedaagde] hebben op 26 november 2004 een ‘Contract Studentenkrediet’ gesloten, met een kredietlimiet van € 4.500,-. Er is geen einddatum overeengekomen.
2.2.
In artikel 8 van Pro de “Voorwaarden Studentenkrediet” (hierna verder: de algemene voorwaarden) staat:
“Het aan de bank verschuldigde is, zonder ingebrekestelling, terstond in zijn geheel opeisbaar indien:
a.
de kredietnemer die gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen; (...)”.

3.De beoordeling

3.1.
Bij het tussenvonnis van 15 januari 2020 heeft de kantonrechter ING in de gelegenheid gesteld om de overeenkomst, de algemene voorwaarden, de ingebrekestelling en de opeisingsbrief te overleggen. Daarnaast is ING in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij heeft voldaan aan de wettelijke informatieverplichtingen, alsmede haar zorgplicht.
3.2.
Bij akte heeft ING gesteld dat zij heeft voldaan aan de informatie- en zorgplichten. Verder heeft zij gesteld dat zij het krediet juist en terecht ineens heeft opgeëist. ING heeft overgelegd: het contract studentenkrediet met de algemene voorwaarden, de na de opeising verstuurde aanmaningen en sommaties, een “activiteiten overzicht” en specificaties van de vordering. Volgens ING zijn de ingebrekestelling en de opeisingsbrief niet meer te produceren.
3.3.
De Wet op het consumentenkrediet (oud) (hierna Wck (oud)) is van toepassing op de onderhavige vordering. Op grond van het bepaalde in artikel 33 aanhef Pro en onder c sub 1 Wck (oud) kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat partijen in artikel 8a van de algemene voorwaarden een opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan de wet. Opmerking verdient dat de aanhef van artikel 8, afgezet tegen het bepaalde in artikel 8a, niet in duidelijkheid uitblinkt, waar wordt bepaald dat het verschuldigde “zonder ingebrekestelling” terstond in zijn geheel opeisbaar is.
3.5.
De vraag die de kantonrechter ambtshalve moet beantwoorden, is of voorafgaand aan de algehele opeising van het krediet door ING een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht. De voor een rechtsgeldige opeising vereiste ingebrekestelling behelst een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen. Die schriftelijke aanmaning moet betrekking hebben op een betalingsachterstand van ten minste twee maanden van een vervallen termijnbedrag.
3.6.
ING heeft geen ingebrekestelling overgelegd. De verwijzing in het overgelegde “activiteiten overzicht” naar een “opeisbaarstellingsbrief” van 21 maart 2011 volstaat niet, nog los van het feit dat dit document (kennelijk) strekte tot opeising, niet tot ingebrekestelling.
3.7.
De conclusie is dat aan de voorwaarden voor vervroegde opeisbaarheid niet is voldaan. Dit betekent dat het contract studentenkrediet onder dezelfde voorwaarden nog steeds doorloopt. De vordering moet worden afgewezen.
3.8.
ING wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [gedaagde] niet in het geding is verschenen, worden de kosten aan haar zijde begroot op nihil.

4.De beslissing:

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt ING tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.