ECLI:NL:RBNHO:2020:3428
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Verzoeker heeft een WW-uitkering aangevraagd die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) is geweigerd omdat hij niet voldeed aan de referte-eis van minimaal 26 gewerkte weken in de referteperiode. Daarnaast is verzoeker door het UWV als verwijtbaar werkloos beschouwd omdat hij zelf ontslag heeft genomen bij zijn vorige werkgever.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij alvast een voorschot op de WW-uitkering zou ontvangen. Tijdens de zitting op 6 mei 2020 werd zowel verzoeker als de gemachtigde van het UWV gehoord via Skype.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel verzoeker een spoedeisend belang heeft, er inhoudelijk onvoldoende grond is om de voorlopige voorziening toe te kennen. De beoordeling van het bezwaar tegen het verwijtbaar werkloosheidsbesluit behoort primair aan het UWV toe. De overgelegde WhatsApp-gesprekken zijn niet toereikend om aan te tonen dat verzoeker niet zelf ontslag heeft genomen.
De rechter acht de kans klein dat de besluiten van het UWV in een bodemprocedure zullen worden vernietigd. Daarom worden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen weigering WW-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende grond voor toekenning.