Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Rechtbank Noord-Holland
Eiser verzocht om een vismachtiging voor het vissen op zeebaars met vaste kieuwnetten in 2017, onderbouwd met uitbetalingsstaten als bewijs van vangsten in de referentieperiode 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016. Verweerder wees het verzoek af omdat uit de logboeken geen vangsten met staande netten op zeebaars bleken en alleen registratie in het logboek als bewijs werd geaccepteerd.
De rechtbank oordeelde eerder dat ook andere bewijsmiddelen mogelijk zijn, zoals aangiften van aanlanding, en gaf verweerder opdracht tot heroverweging. Verweerder handhaafde de afwijzing met de motivering dat eiser de vangsten ook niet op de aangifte van aanlanding had vermeld, wat volgens de Controleverordening verplicht is.
Eiser voerde aan dat de uitbetalingsstaten van de visveilingen een nauwkeuriger bewijs vormen dan de aangifte van aanlanding en overhandigde verklaringen van een NVWA-inspecteur ter ondersteuning. Verweerder stelde dat verkoopgegevens in VIRIS niet als bewijs van aanlanding gelden en dat in het archief geen aangiften van aanlanding met zeebaars zijn gevonden.
De rechtbank concludeerde dat registratie van vangsten in de aangifte van aanlanding verplicht is, ook voor hoeveelheden onder 50 kilogram, en dat verkoopgegevens niet als bewijs kunnen dienen. Omdat eiser de vangsten niet in een aangifte van aanlanding heeft geregistreerd, is het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vismachtiging zeebaars is ongegrond verklaard wegens ontbreken van registratie in de aangifte van aanlanding.