Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2019 in de zaak tussen
Visserijbedrijf [eiser] , te [plaats] , eiser
de minister van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- in de in artikel 9, tweede lid, derde alinea van de Verordening vangstmogelijkheden genoemde periode, zijnde tussen 1 juli 2015 en 30 september 2016 (hierna: de referentieperiode);
- blijkens de logboekgegevens;
- met het type vistuig GTR, GNS, FYK, FPN of FIX, bedoeld in bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening;
- op zeebaars is gevist.
De rechtbank heeft eiser bij brief de brief van 23 augustus 2018 – waarin eiser is uitgenodigd voor de zitting – gewezen op de mogelijkheid om te vragen om vergoeding van proceskosten. Een formulier daartoe was bij deze brief gevoegd alsmede een toelichting waarin was vermeld dat het formulier uiterlijk bij aanvang van de zitting overhandigd diende te worden aan de griffier. Niet is gebleken van omstandigheden waarom eiser niet tijdig heeft verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank laat de na sluiting ingezonden stukken daarom buiten beschouwing en stelt vast dat geen aanleiding bestaat voor vergoeding van proceskosten.
Beslissing
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2019.